Historische roman van Arthur Japin; Zwart wordt men pas in een lichte omgeving

Arthur Japin: De zwarte met het witte hart. De Arbeiderspers. 390 blz. ƒ 39,90

Acht jaar geleden verscheen De redder van Afrika van Guus Kuijer. Hoofdpersoon van die roman in brieven was Jacobus Capitein, die als tienjarige slaaf van de Goudkust naar Nederland was gebracht om er vijftien jaar later terug te keren als gereformeerd predikant. Daar probeerde hij vergeefs de Afrikanen te 'redden', dat wil zeggen te bekeren tot het christendom. In de roman lag de nadruk vooral op zijn wanhopige gespletenheid: tussen zwart en wit, zijn Afrikaanse afkomst en zijn Hollandse opvoeding, zijn donkere huid en zijn gehersenspoelde, 'blanke' geest. Ik oordeelde indertijd in deze krant niet overdreven gunstig over het boek, vooral omdat de hoofdpersoon mij onwaarachtig voorkwam. Een 'kunstpersoon' noemde ik hem wat schamper, van teveel tegenstrijdigheden aan elkaar hangend, een 'verzonnen personage' dat niet op eigen benen kon staan.

Achteraf gezien was het nogal onnozel, maar ik dacht toen dat Jacobus Capitein nooit echt bestaan had en dus aan de verbeelding van Kuijer ontsproten was. Een week later werd ik terechtgewezen door een ingezonden briefschrijver die meldde dat Capitein een historische figuur was, over wie bovendien veel bekend was. Acht jaar geleden meende ik nog dat mijn mening over het boek niet wezenlijk anders uitgevallen zou zijn als ik had geweten hoe de vork in de steel zat. Maar inmiddels weet ik wel beter. Een meesterwerk had ik het dan waarschijnlijk niet alsnog gevonden, maar mijn oordeel zou zeker gunstiger uitgevallen zijn.

In pure fictie kan een schrijver zich, hoe paradoxaal dat ook mag klinken, nu eenmaal minder veroorloven dan in een verhaal dat op waarheid is gebaseerd. In het eerste geval kan hij het, op straffe van ongeloofwaardigheid, niet te gek maken, terwijl in het tweede geval, geruggesteund door harde feiten, juist het tegenovergestelde geldt: hoe gekker hoe beter.

Mijn gevoel van schuld jegens Jacobus Capitein kwam weer boven bij het lezen van De zwarte met het witte hart van Arthur Japin, een lijvige historische roman gebaseerd op feiten en documenten. Japin beschrijft een vergelijkbaar geval, maar dan een eeuw later en niet over een slaaf, maar over twee Afrikaanse prinsen, die eveneens gedwongen werden de Goudkust te verruilen voor het koude Holland. Kwame Poku, de kroonprins van het rijk van Ashanti, en zijn neef Kwasi Boachi werden in 1837, op tienjarige leeftijd 'geschonken' aan koning Willem I. Zij dienden als onderpand voor de handel in slaven, versluierend 'rekruten' genoemd, omdat de slavenhandel toen al enige tijd officieel verboden was en alleen nog illegaal bedreven kon worden door de Nederlandse regering. Willem I liet zich overigens weinig aan de kinderen gelegen liggen. Als curiositeiten mochten ze af en toe komen opdraven aan het hof om hun kunsten te vertonen, maar helemaal serieus genomen werden ze nooit.

Het is een smartelijke geschiedenis vol met verbijsterende feiten. Ondanks hun intelligentie en leergierigheid en ondanks hun buitengewoon vlotte vorderingen op allerlei gebied, ondervonden de prinsen tijdens en ook na hun studie zoveel tegenwerking dat het met hun levens nooit meer goed zou komen. Kwame, die zich altijd bleef afzetten tegen Holland en tegen de blanke zeden en gewoonten, keerde als militair terug naar West-Afrika. Maar hij bleek niet meer welkom te zijn in zijn geboorteland, niet als Ashanti en al helemaal niet als troonopvolger. De koning was hem, ironisch genoeg, als een ongewenste blanke gaan beschouwen, terwijl zijn blanke werkgever nooit met de beloofde bevordering tot officier afkwam. Na al deze ontgoochelingen maakte Kwame op 23-jarige leeftijd een eind aan zijn leven.

Prins Kwasi, de titelheld van de roman: de zwarte met het witte hart, degene ook uit wiens perspectief de hele geschiedenis geschreven is, deed zijn leven lang zijn best om zich aan te passen en het iedereen naar de zin te maken. Verder dan tot ingenieur derde klasse in Nederlands-Indië, met een mager traktement, bracht hij het niet. Daarna volgde nog een weinig succesvolle loopbaan als koffie-, thee- en rijstplanter, totdat hij, ziek en berooid, op 76-jarige leeftijd stierf.

Japin schreef zijn roman op basis van een indrukwekkende hoeveelheid feitenmateriaal, die hij in de loop van jaren verzameld moet hebben: over Afrika, Nederland, Nederlands-Indië, Weimar, de slavenhandel en wat al niet meer. En passant wordt zo ook duidelijk hoe hij aan de stof moet zijn gekomen voor de negen zeer uiteenlopende verhalen uit zijn debuut Magonische verhalen: een verdienstelijke bundel, maar hij verbleekt nu bij de rijkdom, de levendigheid en de overtuigingskracht van De zwarte met het witte hart, die door een meesterhand gecomponeerd is.

Ogenschijnlijk is het een eenvoudige, realistische roman, zonder onverwachte perspectiefwisselingen, zonder poëticale laag, zonder ingewikkelde structuur, zonder opvallend taalgeflonker ook. De enige frivoliteiten die Japin zich veroorlooft zijn sprongen door tijd en ruimte, maar wel zo dat geen lezer er door gedesoriënteerd zal raken. De roman is met veel inlevingsvermogen geschreven en tegelijk met een waardig soort afstandelijkheid, die negentiende-eeuws aandoet, maar niet belegen. Een neutrale en zelfs tamelijk montere toon overheerst. Nergens wordt rechtstreeks op de lachlust of het sentiment gewerkt en toch valt er geregeld iets te grinniken of te huilen: om de hartverscheurende brieven bijvoorbeeld, die Kwame in zijn laatste jaren vanuit West-Afrika aan zijn neef stuurde.

Ik heb mij zelden zo op mijn gemak gevoeld in een historische roman, ondanks alle verschrikkingen die erin beschreven worden. Japin laat er geen twijfel over bestaan dat er voor een weldenkend en fijngevoelig individu weinig ruimte is op aarde, toen niet en misschien wel nooit. Zonder dat het woord ook maar ergens valt - het zou ook een anachronisme zijn geweest - draait het boek om dat ene barre verschijnsel dat van alle tijden is: discriminatie. Zoals Kwasi zich als klein jongetje samen met zijn neef vrolijk maakte ten koste van 'slapjanussen uit Dagoma, Dagaba, Fra Fra en Kusasi, die de klank ouè niet konden maken', zo wordt hij later zelf al even onterecht belachelijk gemaakt en vernederd om zijn afkomst en huidskleur. Door studiegenoten, collega's, passanten, winkeliers en personen van hoge komaf, door de Nederlandse overheid niet in de laatste plaats, die met een 'geheime voorbeschikking', een soort beroepsverbod, al zijn hogere aspiraties blokkeerde.

Hoe bepalend kleur is voor deze roman, blijkt behalve uit de titel ook uit de fraaie openingspassage, waarin een luchtig, maar veelbetekenend exposé wordt gegeven over iets dat je 'gevoelskleur' zou kunnen noemen: de kleur die een mens of ding aanneemt onder invloed van de overheersende kleur in zijn omgeving. 'De eerste tien jaar van mijn leven was ik niet zwart', zo luidt de met komische stelligheid gebrachte allereerste zin. Zwart wordt men pas in een lichtere omgeving, en dat is precies wat de twee prinsen tot hun grote ellende overkwam. Op bijna elke bladzij is wel een ontluisterend voorbeeld te vinden van de veronderstelde superioriteit van het blanke ras. Maar het venijn en de ontroerende kracht van de roman schuilt minder in de beschrijving van alledaagse botheid dan in de nuance, de grijstinten om zo te zeggen, in de zo zuinig mogelijk weergegeven ruimdenkendheid van sommigen. De afgemeten correctheid van overheidsdienaar Van Drunen, de stijve hartelijkheid van het Delftse kostschoolechtpaar Van Moock, de opgewonden attenties van Adeline Renselaar op Java en de plagerige genegenheid van de Javaanse huisknecht Ahim zijn, wegens het contrast, eigenlijk moeilijker te verdragen dan de talloze grofheden van anderen.

Ook aan die andere kleur, niet onbelangrijk voor een historische roman, de couleur locale, besteedt Japin de nodige zorg. Komische intermezzo's zijn er over het vorstenhuis, over Anna Paulowna bijvoorbeeld, die in een ontevreden bui een keer iets lekkers bestelde bij haar personeel. 'Men bracht haar een plateau zoetigheid, waarop ze aanviel als een gier op marktafval.' Enigszins gewaagd, maar erg aardig, is ook de ontmoeting die Japin op Java arrangeerde tussen Kwasi en de ietwat verstrooide assistent-resident van Ambon, Eduard Douwes Dekker. Het is mogelijk geweest, deze ontmoeting, al wordt er in de biografie van Paul van 't Veer geen gewag van gemaakt. Erg frappant lijkt mij ook dat Kwasi, als aspirant-ingenieur onderweg naar Java, strandde op het Franse eiland Réunion in de Indische Oceaan. 'Daar trof ik een eigenaardig paradijs', meldt hij in zijn memoires. 'Vele volkeren leven er samen in volstrekte harmonie. Hindoe, mohammedaan, boeddhist en katholiek vieren er hun feestdagen gezamenlijk.' Of het waargebeurd is vraag ik me af, maar elke lezer zal de arme Kwasi zo'n lichtpuntje gunnen en de schrijver zo'n toepasselijk symbool in zijn mooie roman.

Uit: Arthur Japin, De zwarte met het witte hart

De eerste tien jaar van mijn leven was ik niet zwart. Ik was op veel manieren anders dan de mensen om mij heen, maar donkerder was ik niet. Dat weet ik. Er is een dag geweest waarop ik een verkleuring gewaarwerd. Later, toen ik dan eenmaal zwart wás, ben ik weer verschoten.

Op mijn theevelden heb ik altijd een paar kerststerren laten planten, ook wel wonderbomen of wolfsmelk genoemd. (...) Zo'n eenzame rode plant heeft een opvallend effect op haar omgeving. (...) Er valt plotseling niets meer over te zeggen dan: ja, het is groen. Een bepaald groen groen. Of beter gezegd: het is op een verontrustende manier niet rood!

De rode plant zelf daarentegen vlamt tussen het groen vuriger dan tussen haar gelijken. In de akker die ik voor de kerststerrenkweek altijd speciaal heb laten aanleggen, viel ze nauwelijks op tussen de andere exemplaren. Die kerstster was niet rood tot ik haar in haar nieuwe omgeving liet zetten. Kleur heb je nooit zelf, kleur krijg je door anderen.