Het gedicht als computerspelletje

ROTTERDAM, 20 JUNI. Scrollen, hypertext, de muis, klikken, wandelen over het screen, fietsen: woorden die niemand met poëzie associeert. Gisteren, tijdens de voorlaatste avond van Poetry International, moesten in de Kleine Zaal de echte dichters en de echte gedichten hun biezen pakken. De toeschouwers waren getuige van een primeur: de presentatie van de CD-rom 'Via Poetica', een elektronische wandeling door de Nederlandstalige poëzie.

Doorgewinterde liefhebbers van poëzie knipperden met de ogen. Hier werden gedichten meteen op het spijkerbed van de interpretatie gelegd, voordat ze in ongeschonden, gave staat de lezer hadden kunnen bereiken. De CD-rom, bedoeld als educatief hulpmiddel op het middelbaar onderwijs, presenteert een gedicht op de linkerhelft van het computerscherm en geeft meteen aan de rechterzijde allerhande biografische, prosodische en lexicografische informatie weer. Een van de voorbeelden, 'In de zwarte nacht is een mensch aangetreden' van Herman Gorter, krijgt op die manier een mantel van hulpvaardigheid om zich heen.

Voor wie luidsprekers op zijn computer heeft, leest Enno Endt het gedicht voor. Wil de prille poëzielezer iets weten over Gorter en de biografische achtergrond van het gedicht, het is allemaal voorhanden. Al scrollend lezen we zo bladzijde na bladzijde. Laten we de muis klikken bij 'alliteratie', dan lichten alle allitererende versgedeelten op.

Poëzie en computers: het is niet nieuw. Al lang geleden schreef Gerrit Krol poëzie met behulp van de computer. Natuurlijk, het is plezierig eindeloos veel kennis over een gedicht te vergaren. Maar toch, zo werkt het niet. In deze pilot van de Via Poetica ontbreekt het wezenlijke van gedichten, namelijk het lezen. Het lang en aandachtig proeven en ontraadselen van een vers, de euforie als zich betekenissen vrijgeven.

Hoewel ik het streven naar 'poëzie lezen met de muis' loffelijk vind, kleven er ook bezwaren aan. Het gedicht is nu een computerspelletje. Eén klik, en daar is de interpretatie. Het contact met de bladspiegel waarop het gedicht geïsoleerd van de druktemakende context staat is verdwenen. Het gedicht heeft geen stilte meer om zich heen, maar dwingende informatie, interpretatie, analyse. Uitgeverij Meulenhoff brengt de CD-rom volgend jaar op de markt, met gedichten van Huub Beurskens (het heel mooie 'Krullen in de avondlucht'), Nijhoff, Lucebert en F. ter Harmsen van der Beek. Gelukkig bevindt zich nog veel in de 'onderzoeksfase', dus ik hoop dat de verbeteringen die het publiek gisteravond met plezierige gretigheid aanbood ook overwogen en verwerkt zullen worden.

De computer: op een film in de Grote Zaal zag ik hem ook staan in de werkkamer van de Franse dichter Jacques Roubaud, iemand, die ik, naar leeftijd beschouwd, een fervent vulpendichter achtte. Maar nee. Roubaud, grijs haar, heldere lichte blik, schrijft zijn logisch doordachte, bijna wiskundige teksten met de computer. Misschien is dat niet verwonderlijk; het emotionele niveau van zijn poëzie is laag in verhouding tot het intellectuele. Voor hem is een gedicht vooral een kwestie van taaltechniek. Jan H. Mysjkin heeft ze sterk in het Vlaams vertaald, zoals 'Il pleut' uit de reeks Logische stukjes: “Regent! / Gaardeniersweg / Gentse Tankvaart / Goudenregenstraat / Goudensterstraat. (-)” Ik raakte er uiteindelijk niet bevlogen van.

Dat gold ook voor de poëtische lezing van de Oostenrijker Raoul Schrott. Uit alle windstreken en culturen haalt hij zijn kennis vandaan, die dient als materiaal voor zijn poëzie. Maar de werkelijk poëtische vonk bleef uit. Zijn gedichten zijn schier oneindig, en missen de vaste vorm. En dan kom ik weer terug op het probleem dat zich aandiende bij het gesprek over Allen Ginsberg een dag eerder: hoe vrij of hoe vast moet een gedicht zijn? Waar liggen de grenzen van de vrijheid?

Gisteravond waren er nauwelijks grenzen, noch in vereiste kennis noch in vormgeving. Het lijkt of de dichters de oneindige mogelijkheden van de computer alvast hebben gereserveerd voor de poëzie, met de voordelen van dien en ook de nadelen. Schrott en Roubaud schrijven gestapelde poëzie, zoals beat-poet Ginsberg dat ook deed. Maar als stapelingen geen vastheid kennen, verwaait de poëzie. Iedereen die met de computer werkt, ervaart het telkens weer: het apparaat is wars van compactheid.