Het balkon van de wereld; Hotel Adlon in Berlijn na een halve eeuw heropend

Begin deze maand is aan de Unter den Linden in Berlijn het in de jaren dertig wereldberoemde Hotel Adlon heropend. Lange tijd was het een ruïne. Nu is het in oude luister hersteld. “Hotel Adlon is de Titanic van de hotellerie.”

Hotel Adlon Berlin, Unter de Linden 1 - Ein Kempinksi Hotel. Overnachting: 290-360 Mark. Inl.: 0049-30-22610.

Ooit was de chic uit de hele wereld te gast onder het groen-koperen dak en achter de klassieke gevel van Hotel Adlon in Berlijn. De geuren van de bomen langs Unter den Linden begeleidden de reizigers die onder de Brandenburger Tor in hun limousines kwamen aangereden, de sleutels aan de pages, zoals de piccolo's van Adlon heetten, overhandigden, en door de uitnodigend geopende deuren het hotel binnengingen. Daar opende zich een wereld van rode tapijten, van marmer, palmen, van luxe, aristocratie en adel, welbehagen, kroonluchters. Als de gasten niet luisterden naar de naam Marlene Dietrich of Aristide Briand, zelfs als ze niet zongen als Caruso of konden schrijven als Thomas Mann, al waren ze niet Kaiser Wilhelm II zelf, al had geen van hen ooit een bos rozen gekocht voor Vicky Baum, de gasten leefden in de illusie dat ze deel uitmaakten van die betoverde, artistieke wereld. Want voor de beau monde, de kunstenaar en de aristocraat, was Adlon geschapen.

In Hotel Adlon dansen, dineren, in das Adlon overnachten of, het allerliefst, de bruidsnacht doorbrengen, was iets dat je aan je kinderen of kleinkinderen kon vertellen: “Grossmutti war damals noch in Adlon.”

Een betoverde wereld. Maar op de rand van de afgrond. Want hoewel Hotel Adlon aan de Pariser Platz in het voormalige Oost-Berlijn tussen 1907 en 1945 voor de gasten een glansrijk, geïllumineerd en feestelijk verblijf bood, waren die jaren ook doordrongen van melancholie en een dreigend besef dat het oude Europa gedoemd was ten onder te gaan. De Eerste Wereldoorlog naderde, woedde en ging voorbij; de Tweede Wereldoorlog, die begon met een parade van de nationaal-socialisten over de promenade van Unter den Linden pal voor Hotel Adlon, zou uiteindelijk de ondergang van dit gastvrije huis betekenen.

Hotel Adlon is de Titanic van de hotellerie. Geen hotel in West-Europa kon met Adlon wedijveren, zoals geen enkel schip de gelijke was van de Titanic. De Titanic verdween na een aanvaring met een ijsberg in de golven, Adlon werd verwoest door brand. De tragiek van Adlon is dat het zijn einde vond door een wonderlijke, ondoorgrondelijke speling van de geschiedenis. Het werd aanvankelijk de hele Tweede Wereldoorlog door behouden, en toch veranderde het op een namiddag, toen de vrede nabij was, in een vuurzee. Amerikanen en Engelsen wierpen dag aan dag, nacht na nacht, een tapijt van bommen over Berlijn. De Rijksdag op steenworp afstand was jaren eerder al afgebrand, het vierspan met strijdwagen op de Brandenburger Tor neergestort, Berlijn zelf een zwart kerkhof, de huizenblokken langs Unter den Linden waren veranderd in een gestolde, geblakerde waterval van steenbrokken - en temidden van deze angstaanjagende verlatenheid stond fier en glanzend, bijna ongeschonden, nog altijd het vier verdiepingen tellende hotel als een schip op eenzame zee.

Op 2 mei 1945 capituleerde Berlijn. De Pariser Platz aan de oostzijde van de Brandenburger Tor, eens de foyer van galant Europa, bood een allertreurigste aanblik; doden, gewonden, door granaten geslagen gaten. Van de paleizen die het rechthoekige plein eens omsloten, restte niets dan staketsels. Onder de Pariser Platz was een schuilkelder gegraven, die verbonden was met het hotel. De keuken draaide nog volop, verpleegsters verzorgden de zieken. Het hotel bood als altijd onderdak.

Ineens rolden Russische pantserwagens over het gehavende plaveisel van Unter den Linden. Militairen van het Rode Leger drongen het hotel binnen. Er vonden geen gewelddadigheden plaats, het was immers vrede. Uit de hemel boven Berlijn vielen geen bommen meer. Enkele soldaten daalden over de trappen af naar de geheime trots van het hotel: de wijnkelder. Hier lagen duizenden uitgelezen flessen, teruggaand in de tijd naar oogsten uit 1865, 1870. In de euforie van de overwinning openden zij de flessen, dronken, ze rookten er sigaretten bij. Een van de met stro gevulde verpakkingskisten voor de wijnflessen vatte vlam en in luttele minuten joegen de vlammen de hoogte in, het vuur werd aangezogen doordat het glas uit de vensters was gesprongen. Het hotel dat het tapijt van bommen en het spervuur van granaten had overleefd, stortte alsnog in.

La Belle Otéro

In Adlon werd geschiedenis geschreven, voor de Eerste Wereldoorlog en tijdens het interbellum. Thomas Mann liet zich hier fêteren, alvorens naar Stockholm af te reizen om de Nobelprijs voor literatuur in ontvangst te nemen. Charles Chaplin bood Marlene Dietrich in de Adlon Bar rozen aan. Een bont, fonkelend gezelschap van beroemdheden maakte hier zijn opwachting. Ernst Ludwig Kirchner schilderde zijn expressionistisch uitgedoste cocottes op het plein voor het hotel. In de Empire Zaal met de talloze spiegels werd door afgezanten van de nabijgelegen Franse, Engelse en Amerikaanse ambassade over de toekomst van Europa gesproken. In de zaal waar het plafond beschilderd was met een Tiepolo, ontmoetten de Berlijnse bankiers elkaar wekelijks. In de Raffaëlsaal, zo genoemd omdat ze is ingericht in Italiaanse stijl, kwamen kunstenaars samen. Toneelspeler Emil Jannings en dirigent Herbert von Karajan zochten elkaar op in het binnenhof met de buste van Goethe. Wie niet in het Adlon kwam, bestond niet; wie het Adlon niet kende, kende Duitsland niet. Er resideerden koningen en koninginnen, prinsen en prinsessen. De danseres Otéro, eertijds wereldberoemd en beeldschoon, wenste als een vorstin ontvangen te worden. Dat gebeurde. Haar gezelschap bestond uit een papegaai, twee mopshondjes, een parelhoen en een siamese tempelkat; ze liet de pages achtendertig koffers naar haar kamer dragen. Toen La Belle Otéro eens in doorschijnend ochtendgewaad voor het raam van haar suite stond en een gast een foto maakte, niet opzettelijk van haar maar van de binnentuin, werd deze uit het hotel verbannen: La Belle voelde zich betrapt. De arme gast wist niet dat Otéro zich achter het venster had verschanst, misschien juist om zich stiekem door de boulevardpers te laten fotograferen. En dan stennis maken. Het hoort bij de glorie van een voorbij tijdperk.

Als bewijs dat die Berlijnse Belle Epoque vergankelijk was en dat die onuitputtelijke weelde van de geldadel ten koste ging van de armen in de stad, en hun armoede des te schrijnender maakte, bleef na de Tweede Wereldoorlog tot diep in de jaren zeventig het gebouw als een karkas bestaan. Oostblok-ambtenaren hielden er kantoor. De Muur liep er vlak langs, slechts van de hotelruïne gescheiden door de Akademie der Künste en met prikkeldraad omwikkeld spergebied. Het hart van Europa was het toonbeeld van desolaatheid. Totdat in november 1989 de Muur viel en Oost-Berlijn zich openstelde voor het westen. De geheel geruïneerde Potsdamer Platz is nu een mastbos van kranen oprijzend uit een bouwput. De stad wil haar roem en luister terug. De Rijksdag hervindt zijn oorspronkelijke bestemming. De bladeren van de bomen langs Unter den Linden, niet alleen linden trouwens maar vooral ook platanen en ahorns, ruisen rustgevend. En het Hotel Adlon is heropend, een halve eeuw na de noodlottige brand.

De hedendaagse grandeur die het hotel gaat uitstralen, is aan de buitenzijde nog gedeeltelijk verborgen achter schuttingen. De bouw, twee jaar geleden begonnen, heeft vertraging opgelopen. Ergens, aan de zijkant, staat met zwarte letters op een houten deur geschilderd: “Bitte nicht parken. Feuerwehrzufahrt.” Nee, niet opnieuw zal het gebouw de prooi zijn van vlammen.

Slapen in het hotel is zoiets als het opnieuw van Southampton naar New York varen met de Titanic. Het moet de suggestie wekken van vroeger en toen en eertijds, van het fameus voorbije, en toch is alles anders. Louis Adlon, de man die het hotel tussen 1905 en 1907 voor 20 miljoen mark liet bouwen, achtte het welbehagen van zijn gasten het allerhoogste. Tot de kamers mocht geen enkel geluid doordringen. Daarom lagen overal zware tapijten, waren de muren warm bedekt met lambrizeringen. Het gerinkel van een bel was uit den boze, lichtsignalen gaven aan of er iemand aan de deur stond of dat de telefoon overging. In slechts enkele van de Berlijnse hotels toenterijd was er warm stromend water; Adlon beschikte over voldoende ketels om in elk van de ongeveer driehonderd kamers de badkuipen - ook al een zeldzaamheid - in luttele tijd vol te laten stromen. Viel de stroom in Berlijn uit, wat geen uitzondering was, in Adlon hoefden de gasten zich niet te behelpen met kaarsen of ander brandgevaarlijke vuurbronnen: in het hotel draaide dan een generator.

Zilveren bekers

Louis Adlon beschikte over schatten geld. Hij had, voordat hij met het hotel begon, een restaurant op de terrassen van de Zoölogischer Garten. Uit Napels liet hij het cassata-ijs overkomen, dat de Berlijnse bourgeoisie 's middags uit zilveren bekers lepelde. Adlon droomde van een hotel, waar reizigers uit alle windstreken welkom waren. Op een dag kwam een paleis aan de Pariser Platz hoek Unter den Linden vrij. Het in neo-classicistische stijl opgetrokken gebouw, in 1833 ontworpen door Schinkel, viel onder monumentenzorg. De Reichshauptstadt mocht haar allure niet verliezen ten gunste van Parijs, Monaco of Rome. Adlon vroeg ontvangst bij Kaiser Wilhelm, ontvouwde hem zijn plan. Een dag later genoot het paleis niet langer welke architectonische bescherming dan ook, Adlon kon gaan bouwen. Op voorwaarde dat de keizer zelf de eerste gast mocht zijn, en zo schreden hij en de keizerin op 23 oktober 1907 als eersten door de entree en over de tapijten naar binnen. Wilhelm's blik viel op het bronzen schild naast de ingang waarop in sierletters stond: 'Hotel Adlon.' De keizer, die Adlon als 'zijn' hotel beschouwde merkte toen op: “Kijk eens, mijne heren, hoe bescheiden mijnheer Adlon is! Het naamplaatje is niet groter dan mijn hand.”

Voor de keizerlijke ogen ontvouwde zich een nooit eerder in Berlijn gezien schouwspel. In een weelderig en massief interieur, pronkten talrijke kunstwerken. De gebogen plafonds waren verrijkt met cassettes en medaillons. Vergulde kandelaars hingen omlaag. In de lounge ritselde een fontein, eromheen stonden diepe fauteuils. Marmeren trappen leidden omhoog naar de eerste etage, waar een balkon naar voren sprong: de loge met uitzicht op die ganze Welt, zoals het heette. Daar lag de American Bar. Vanaf de hoogte konden de gasten neerzien op wat zich beneden in de hal afspeelde. Het interieur riep herinneringen op aan Venetiaanse paleizen, vorstelijke stijlkamers, de kastelen van de Beierse koningen. Mannen werd aangeraden hun echtgenotes niet mee te nemen, want het gevaar dat zij nooit meer naar hun huis wilden terugkeren of in elk geval hun huis in de stijl van Adlon wensten te verbouwen was niet denkbeeldig. Het restaurant strekte zich uit aan de Pariser Platz. De ramen boden uitzicht op de Brandenburger Tor. De kamers en suites waren kostbaar gedecoreerd. Het bed, beladen met tal van kussens, moest de reiziger ervaren als een warm en beschut nest in den vreemde. De kamers konden verduisterd worden; de vijandige buitenwereld had in Adlon geen enkele invloed.

De keizer vroeg aan Louis Adlon wat voor hem het belangrijkste van een hotel was.

Adlon antwoordde: “Het bed en het ontbijt.”

“Alleen het bed en het ontbijt?” herhaalde de keizer verbaasd. “Niet het diner of de dansavonden?”

Adlon hield vol: als een gast een volmaakte nachtrust heeft gehad, door geen enkel geluid gestoord, als hij daarna geniet van een goed ontbijt, waarvan de geuren van koffie, thee en vers brood hem van verre tegemoet kwamen, dan is hij opgewekt gestemd en kan er niets meer kapot. Het gaat erom de sereniteit van de nacht en ochtend zo ver mogelijk tot diep in de dag te laten voortduren. Het hotel moet de gast het gevoel schenken een eigen, vertrouwde wereld te bewonen. Nooit rept Louis Adlon over rijtoeren met een koets door de stad teneinde bezienswaardigheden te bezoeken, ook al liggen de Staatsoper, de musea, de Alexander Platz, de cabarets en theaters aan dezelfde Pruisische prachtstraat, die Unter den Linden is, als Adlon. Alleen het hotel telt, niet de stad.

Zonder de linden

In dat hotel diende gastvrijheid te heersen, en het moest daarom boven elke twist verheven zijn. Politici vonden in Adlon onthaal, onder hen de grote heren van nazi-Duitsland zoals Goebbels en Göring. Toen op 30 januari 1933 rijkspresident Hindenburg Adolf Hitler benoemde tot rijkskanselier was Adlon in een middag volgeboekt. Een parade en fakkeloptocht zouden die avond over Unter den Linden gaan. Hooggeplaatsten uit binnen- en buitenland kregen een kamer aan de straatkant. Drie jaar later, met de Olympiade in '36, herhaalde zich dit ritueel. Marlene Dietrich en de zangers van de Comedian Harmonists traden op in de balzaal. Binnen heerste vrede en vertier, maar buiten de muren van Adlon waren duistere tekenen te zien. De bomen van Unter den Linden moesten wijken voor de grootse militaire parades van het Derde Rijk. De linden waren voor de hoofdstad symbolisch; er ging een liedje door de straten, met de regels: “Solang' noch Untern Linden die alten Bäume blüh'n,/ kann nichts uns überwinden. - Berlin bleibt doch Berlin.” Maar de bomen vielen, de linden bloeiden niet meer en men fluisterde: “Nun ist es auch bald mit Berlin vorbei.” De laan heette voortaan Kahlbaumallee. Louis Adlon en zijn vrouw Hedda werden vlak na de overgave van Duitsland, terwijl hun hotel nog brandde, door Russische soldaten in hun buitenhuis overvallen. Ze vroegen slechts documenten, maar een dienstmeisje riep: “Nix Dokumenta. Da - Generaldirektor!” Dat woord, 'General', betekende voor Adlon zijn doodvonnis. Zonder dat hij enig verzet of verweer kon bieden, werd hij door de Russen meegevoerd en opgesloten. Twee jaar later stierf hij.

Zijn vrouw schreef haar memoires, Hotel Adlon. Das Haus, in dem die Welt zu Gast war. Ze besluit met de volgende regels: “Ik zou het Adlon weer willen opbouwen, maar alleen dan als 'oost' en 'west' in Berlijn niet meer bestaan en alleen daar, waar het vroeger stond en waar ik de gelukkigste tijd van mijn leven heb doorgebracht. In het hart van Berlijn - Unter den Linden !”

De eenwording van Duitsland en de heropening van Adlon heeft ze niet mee mogen maken; twintig jaar geleden is ze gestorven. Maar haar wens is uitgekomen: Adlon staat er weer, er is een hotel aan de Pariser Platz.

Evenals vroeger heeft het nieuwe Adlon ongeveer een bediende per kamer. Tot de ruim driehonderd kamers behoren twee presidentiële suites met kogelvrij glas en stalen platen gemetseld in het beton. Het is een Grand Hotel, waarvan het interieur is ontworpen door de architecten Ezra Attia uit Londen en Lars Malmquist uit Stockholm. Entree, restaurant en kamers ademen strenge elegantie; op de vloeren liggen geen tapijten, de gasten lopen over zachtgeel, glad natuursteen. In het midden van de lounge ruist een fontein de hoogte in, naar een koepeldak van glas en metaal uit de tijd van Schinkel. De donkerrode meubelen zijn een ingetogen mengeling van empire en Italiaans design. Gouden gordijnen. Fresco's versieren de wanden van het restaurant. De bibliotheek is in ere hersteld. Zetels en sofa's in de hal en op de eerste verdieping, het balkon van de wereld, nodigen uit tot verwijlen. Art-deco standbeelden roepen de sfeer op van de twintiger jaren.

In de kamers overheerst zachtrood kersenhout. De badkuip is zwart, de kranen van goud. Aan het plafond is een decoratie van bladgoud aangebracht. Buiten, op de Pariser Platz, rondom de Brandenburger Tor en verderop waar de Rijksdag zich verheft, worden de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog hersteld. Adlon en het Berlijn eromheen verrijzen.

Wanneer de vermoeide reiziger de deur naar zijn kamer opent, begint vanzelf muziek te spelen, gaan de lampen branden, bewegen de gordijnen zacht op de koele luchtstroom. Het wachten is op het kamermeisje dat, als toen, het donzen dekbed opslaat en champagne uitschenkt.