Herinneringen aan Spandrell

Over het kapot slaan of trappen van bloemen kun je botanisch gesproken niets goeds denken, maar dramatisch gezien heeft het een explosiviteit van de eerste orde.

Als variant op de neutronenbom spaart het de mens maar snijdt door de ziel. Daarom is het eigenlijk verwonderlijk dat in de film en de literatuur niet meer van dit effect gebruik wordt gemaakt. In Lady Chatterly's Lover sneuvelen wel een paar bloemen maar dat beschouwen we als de prijs van de poëzie zoals die zich daar voltrekt. De Godfather der Corleones die ik weet niet hoeveel mensenlevens op zijn geweten heeft, sterft dichterlijk, omringd door zijn liefderijk verzorgde, dat wil zeggen gesnoeide, dus kundig beamputeerde rozen. Ik ken maar één boek waarin een veldje bloemen - in dit geval blauw vingerhoedskruid - het moet ontgelden. Dat is Point Counter Point (1928) van Aldous Huxley.

De boosdoener in deze roman heet Spandrell. Al tamelijk aan het begin van het boek wekt de schrijver de verwachting dat we met een kwaadaardig man te maken hebben. Zijn gezicht doet denken aan dat van een gargouille, zo'n demonisch beeldje dat aan oude kerken tot verfraaiing van de uitmonding der goten dient en dat ook fonteinen versiert. Een waterspuwer wiens trekken spot en minachting verraden. 'Spandrell lachte kort en snuivend lachje, liet zijn stoel weer op de vier poten landen en leunde voorover. Hij duwde het koffiekopje en het half lege cognacglas opzij, zette zijn ellebogen op tafel, steunde zijn kin in de handen. Het licht van de schemerlamp viel op zijn gezicht. Een gargouille, dacht Mary, een gargouille in een rose boudoir. Zo had je er ook een aan de Notre Dame, in dezelfde houding. Maar een gargouille was een komisch duiveltje, zo extreem diabolisch dat je het duivelse niet ernstig kon opvatten. Spandrell was werkelijkheid. Daarom was zijn gezicht zo sinister, zo tragisch; hol en benig. Zijn jukbeenderen en kaken trokken lijnen in zijn strakke huid. Diepliggende grijze ogen. In het lijkkleurig masker leefde alleen de mond, een brede mond die uit de huid tevoorschijn kwam als twee dikke striemen.'

Veel later begrijp je dat bij zoiemand geen plantje veilig is. Spandrell is iemand met een ongeneeslijke ontevredenheid. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog had hij zich aan het front willen laten doodschieten, maar het was om door hem zorgvuldig beredeneerde redenen (te ingewikkeld om hier samen te vatten) er niet van gekomen. Zo was er eigenlijk van niets veel bijzonders gekomen, behalve van het vlijmscherp redeneren. Ongeveer 200 pagina's nadat de schrijver het signalement van zijn held heeft gegeven, komt de volgende inleiding tot het drama. In een intellectueel gezelschap (er is geen ander in deze roman) betreurt hij wat er van hem is geworden. 'En zo is het gekomen,' zegt iemand anders, 'dat je een paar bokspoten hebt gekregen in plaats van engelenvleugels.'

En dan, na weer 50 pagina's, is het zo ver. Op het platteland, in gezelschap van een man en een vrouw die elkaar eeuwige trouw beloven, komen ze langs het bewuste perkje met vingerhoedskruid. Spandrell beseft zelf nog niet dat hij iets kwaads in de zin heeft, maar er zijn krachten, sterker dan hij zelf. 'Hij hief plotseling zijn wandelstok en begon links en rechts, wam, wam, om zich heen te slaan, bij iedere slag opnieuw een trotse stengel brekend. De grond lag bezaaid met vermoorde planten.'

De vrouw in het gezelschap, Connie, probeert tussenbeide te komen. 'Stop! Stop! Ze pakte zijn arm. Geluidloos lachend wrong Spandrell zich los en begon opnieuw op de planten in te slaan. 'Hou op! Alsjeblieft! Hou ermee op!' Opnieuw probeerde ze zijn arm te grijpen. Nog altijd lachend, met zijn stok slaand, ontweek hij haar. 'Weg met die planten!' riep hij. 'Weg ermee!' Bloem na bloem viel onder zijn slagen. 'Daar!' riep hij tenslotte, buiten adem van het slaan, het lachen en de worsteling. 'Daar!' Connie was in tranen. 'Hoe kan je dat doen!' riep ze. 'Hoe kan je!'

'Hij lachte weer, geluidloos, zijn hoofd achterover. 'Hun verdiende loon', zei hij. 'Dacht je soms dat ik hier zomaar bleef zitten om mezelf te laten beledigen? De brutaliteit van die stommelingen! Ah! Daar staat er nog een.' Hij stapte het perk in, naar de plek waar nog één plant stond, alsof die zich had verborgen tussen de twijgen van een hazelnootbosje. Eén slag was genoeg. De stengel brak, de plant viel geluidloos. 'Vervloekte brutaliteit. Hun verdiende loon! Laten we teruggaan naar de auto'.'

Tot zover dit drama. Veertig jaar geleden, denk ik, voor het laatst gelezen. Nu weer eens opgezocht, daartoe gebracht door de avonturen van het eurobloemperkje op de Dam. Spandrell, voorloper van de autonomen. Met dank aan Aldous Huxley.