Heimwee en collaboratie

Dirk de Geest, Eveline Vanfraussen, Ilse Mestdagh en Marnix Beyen: Collaboratie of cultuur? Een Vlaams tijdschrift in bezettingstijd. Meulenhoff/Kritak, 359 blz. ƒ 49,90

Geschiedschrijving sine ira et studio, zonder kwaadwilligheid of favoritisme, over de collaboratie in Vlaanderen tijdens de Tweede Wereldoorlog is lang onmogelijk geweest. Maar sinds enkele jaren wordt daaraan gewerkt. Een nieuwe generatie historici is erin geslaagd het geëmotioneerde gekibbel te overstijgen en de zaken sereen te behandelen. Een dertiger als Bruno De Wever (Onverwerkt Verleden, 1994) spreekt met meer gezag over de jaren '30/'40 dan degenen die zich erop beroemen alles zelf te hebben meegemaakt. De recente werken vijlen aan de omschrijving van wat achteraf collaboratie genoemd werd, vooral dan van de ideologische collaboratie uit de hoek van de Vlaamse Beweging.

In deze reeks hoort ook het boek van een Leuvens vierspan onder leiding van Dirk De Geest. Hun Collaboratie of cultuur? analyseert één tijdschrift uit de bezettingstijd: het blad Volk en Kultuur. In dat weekblad werd het actuele culturele leven in Vlaanderen tijdens de oorlog gerecenseerd en verschenen beschouwingen over geschiedenis, kunst en literatuur. De vier wetenschappers worden niet geleid door de begeerte te oordelen wie er fout zaten. Bij hen geen selectie dus van schokkende citaten, maar een poging om een denkwereld van meer dan een halve eeuw geleden te schetsen, met al haar paradoxen en consistentie. Of anders geformuleerd. Kan het feit dat het tijdschrift niet onder de censuur van een vijandig regime viel achteraf als een daad van collaboratie worden gezien? Of ontsnapte Volk en Kultuur aan de censuur juist omdat het de becommentarieerde in een taal die voor het Duitse bewind een steun in de rug was?

Volgens Collaboratie of cultuur? verwoordde het tijdschrift zeker niet de principes van de bezetter. Over het algemeen vermeed het liefst problemen, bij voorbeeld door beschouwingen over de actualiteit uit de weg te gaan. Accommodatie, aldus de auteurs.

De verwantschap met het nazisme - dat wordt nog eens bevestigd - lag hierin dat de Vlaamse Beweging in een mentale wereld verkeerde die de vestiging van een Nieuwe Orde zou verwelkomen. Zij deelde de afkeer van de desintegrerende erfenis van de Verlichting, het individualisme, de vrijheid van mening en de oppervlakkigheid van the roaring twenties. Zij onderschreef, in wat simplificerende typeringen, de kritiek op de vooroorlogse politieke klasse, de schrik voor het communisme en het heimwee naar de gezagsmaatschappij van voor de Verlichting.

Maar er was ook een essentieel onderscheid. De redactie van Volk en Kultuur wees racisme af. Zij zag het volk eerder als gekenmerkt door een geest en gevormd door de geschiedenis dan bepaald door een biologische afkomst. Er werd bespiegeld rond 'bloedverbondenheid' en het begrip 'volk'. Maar voor de praktijk van de natievorming werd het ras afgewezen als volstrekt onhanteerbaar.

Hoofdredacteur Frans Haepers stond bovendien sceptisch tegenover de collaboratie van het VNV, een partij die aldus het lot van Vlaanderen in handen van een ander volk legde. De voornaamste reden voor deze terughoudendheid was dat Volk en Kultuur de waarde van het regime wilde meten aan de hand van de vraag of het 'een betere sociale orde zal vestigen en de menschelijke broederliefde tot werkelijkheid zal maken'.

Met één aspect van de moderniteit had het nazisme geen problemen: de secularisering. Zijn god was de staat zelf. Binnen Volk en Kultuur daarentegen waren de strijd voor het rijke Roomse leven en voor het volkseigen karakter bondgenoten in he gevecht tegen de twintigste eeuw. Er hing dan ook een katholieke sfeer rond de catalogus van deugden die in dit weekblad 'de eeuwigheidsvormen van de volksgemeenschap' uitmaakten: een soort nationaal-stoïcisme met waarden als het goede en het schone, deugden als evenwicht en eenvoud, gepaard aan een gevoelsmatig inzicht in een lotsbestemming van een volk. Het was een visie die helden maakte van boerenjongens.

Uit de eigen geschiedenis werden dus de heroïsche passages gelicht: episoden met een mythisch voorbeeld, zoals de Guldensporenslag of de strijd tegen Spanje, gepresenteerd met veel ijl gefraseer. Het leidde tot een strijdvaardig lyrisch proza, als was de voleinding der tijden nakend.

Maar er was in Volk en Kultuur geen sprake van een strenge ideeëntucht. De literaire rubriek van Paul Hardy was zelfs aardig en spits. Zijn boekenlijst onderging geen ideologische amputatie. In De voorstad groeit, de debuutroman van L.P. Boon, erkende hij de kwaliteiten van een nieuw talent. Een boek mocht qua thema in de beste volkseigen tradities passen, voor Hardy moest het in de eerste plaats goed geschreven zijn.

Achter dat discours verdwijnt het viertal wetenschappers uit Leuven. Collaboratie of Cultuur? is zo een boek geworden van auteurs die het onderwerp belangrijker vinden dan zichzelf. Het blijft daardoor wat droogjes. Maar in een stijl die controverse vermijdt, wordt wel de precisie gediend.