Gesprek met fotograaf Jeff Wall; Voor de nieuwe landverhuizers is Europa nu Amerika

Op een foto kan alles zichtbaar gemaakt worden, zelfs de nachtelijke picknick van een club vampieren. Maar soms voldoet een foto niet, ondervond de Canadese kunstenaar Jeff Wall. In Hoofddorp is een door hem geënsceneerde performance te zien.

Giving. Performance Jeff Wall, Framed Area. Hoofddorp, winkelcentrum Polderplein. T/m 5 juli en van 30 juli t/m 30 aug. Wo t/m zo ieder uur van 12 t/m 17u. Duur: vier minuten.

De eerste foto wordt zonder camera gemaakt. Een blonde vrouw staat op een Javaans strand en besluit dat dit een van die dingen is die ze zich van deze vakantie wil herinneren: lage grijze lucht, hoge groene golven, en een onverwacht bruin paard dat op de grens tussen die twee galoppeert. Ze neemt de foto met haar eigen ogen, ze knippert een keer, alsof de lens open en dicht gaat, en slaat het beeld op in haar geheugen, zodat ze later op eigen verzoek deze werkelijkheid precies zoals die was weer tevoorschijn kan halen.

De tweede foto wordt vlak na de eerste gemaakt. De Nederlandse vrouw heeft nog niet met haar ogen geknipperd of twee Javaanse meisjes houden een camera uitnodigend in haar richting. De vrouw begrijpt het, de twee vriendinnen zijn ook op vakantie en willen voorgoed bij de lucht en de golven en het paard horen. Ze wil het toestel pakken. Maar nee, schudden de meisjes. Disneyland op Java. De Nederlandse moet, als een witte Mickey, naast een van hen gaan staan, en glimlachen. De ander legt vast wat er straks op de foto als vriendschap uit zal zien.

Het werk van de Canadese kunstenaar Jeff Wall haalt zulke herinneringen naar boven. Wall (Vancouver, 1946) maakt foto's en die foto's gaan over fotografie, over het bewaren van de werkelijkheid en over het verzinnen van de werkelijkheid, over fantasie en realiteit en het huwelijk tussen die twee dat de camera kan sluiten, zoals iedereen weet die wel eens voor een foto een arm geslagen heeft om een man die zij nog nooit eerder had aangeraakt.

Wall maakt foto's als Park Drive (1994), een foto van een weg omzoomd met bomen, en The Pine on the corner (1990) een foto van, inderdaad, een pijnboom op de hoek van een straat in een Canadese buitenwijk, foto's die er griezelig uitzien omdat er op het eerste gezicht niets opstaat dat het nemen van een foto begrijpelijk maakt en op het tweede gezicht ook niet; het lijken kille kopieën van oninteressante werkelijkheid. Andere foto's geven sneller hun band met de schilderkunst prijs: een foto van een oud stukje zeep op de rand van een morsige wasbak is een compositie in geel en blauw met schuine lijnen.

En dan zijn er de ensceneringen, foto's van zulke bizarre dingen als de nachtelijke picknick van een club vampieren (1991) en van zulke gewone als een man die met zijn vinger van zijn oog een spleetoog maakt als hij op straat door een Aziaat gepasseerd wordt (1982).

Wall, die in Vancouver werd opgeleid als schilder, heeft er al lang succes mee. De tiende Documenta in Kassel, die vandaag begint, is bijvoorbeeld al de derde Documenta waar hij aan meedoet. Een van zijn bekendste ensceneringen is Dead Troops Talk (A Vision After an Ambush of a Red Army Patrol, near Moqor, Afghanistan, Winter 1986), uit 1992. Een kopie van dit vier meter brede tableau vivant werd vorig jaar in langdurige bruikleen gegeven aan museum Boijmans Van Beuningen. Op deze grote cibachrome-kleurenfoto liggen soldaten op een modderige berghelling. Ze zijn zwaargewond, bebloed en bleek, ze lijken dood, maar toch hebben ze hun ogen open. Sommigen lachen.

Bedelaar

Wall is nu met drie projecten in Nederland bezig. Opvallend is dat het geen een keer om een foto gaat. Voor de Kop van Zuid in Rotterdam ontwierp hij een gietijzeren monument, dat gewijd is aan de emigratie uit en naar Europa. Het monument, een geschenk van het Rijk aan Rotterdam in het kader van 50 jaar wederopbouw en 650 jaar stadsrechten, zal waarschijnlijk begin volgend jaar geplaatst worden op de Wilhelminapier bij hotel New York. Daar vertrokken vroeger de schepen van de Holland-Amerika Lijn. Wall werkt nog aan een wandtapijt voor het nieuwe paleis van justitie in Den Bosch, waarvoor onder anderen ook Marlene Dumas, Jan Dibbets en Luc Tuymans een tapijt maken. Voor de tentoonstelling Framed Area in Hoofddorp regisseerde Wall tenslotte de performance Giving, die tot eind augustus elke dag een paar keer in het winkelcentrum Polderplein is te zien en daarna over de wereld zal gaan reizen. Er doen twee acteurs aan mee: de ene speelt een bedelaar, die op de grond gaat zitten en zijn pet voor zich neerlegt. De ander is een jongen die hem voorbij loopt, stopt, zijn portemonnee uit zijn achterzak trekt en al of niet een tientje in de pet gooit. Tijdens de première verstopte Wall zich achter een boom. Alleen hij zag dat de jongen geld in de pet legde. De bezoekers misten de alledaagse gebeurtenis, nu die niet aan de muur hing in een museum, maar zich gewoon afspeelde voor de etalage van C & A.

De ochtend voor de première zit de kunstenaar op een terras in de Amsterdamse binnenstad. Hij drinkt koffie verkeerd en hij verdunt zijn stellige uitspraken af en toe met een glimlach.

Waarom is 'Giving' geen foto?

“Ik wilde al heel lang een werk over bedelen maken. Het is een fundamenteel ethisch probleem dat steeds weer persoonlijk wordt. Het confronteert ons ten eerste met het feit dat er op deze wereld mensen leven die niets hebben. En dan moet je je afvragen: help je ze of help je ze niet? Daar moet je elke keer dat je een bedelaar ziet over nadenken. De jongen die in mijn performance optreedt, doet dat ook. Hij is Hamlet, hij moet een keuze maken.

“Ik kon geen foto nemen van deze gebeurtenis omdat hij uit meerdere momenten bestaat, die allemaal belangrijk zijn. Ik ga er nu ook geen foto van maken. Ook de mensen van Framed Area mogen het niet fotograferen. Maar misschien vindt iemand uit het publiek wel het moment dat de gebeurtenis samenvat.”

Waarom is 'Giving' geen film?

“Ik noem het wel een film, alleen wordt hij niet opgenomen. De twee acteurs hebben hun gebaren met een stopwatch gerepeteerd, er gebeurt steeds precies hetzelfde. Alleen het einde is elke keer anders. De jongen moet telkens opnieuw beslissen of hij geld geeft of niet.

“Ik maak nooit films, maar ik heb wel veel van de film geleerd. Tot in de jaren zestig vond men foto's alleen kunst als ze absoluut documentair waren. Iets ensceneren gold als kitsch, en als er toch af en toe iets in scène werd gezet, verzwegen de makers dat. In de filmwereld was de scheiding tussen fictie en documentaire niet zo streng. Het mocht allebei. Je kon de ene avond naar een documentaire van Joris Ivens gaan en de volgende naar The Red Shoes van Powell en Pressburger, die geheel op de set is opgenomen. Het waren allebei prachtige films.”

Hoe komt het dat u nu zoveel werk maakt in Nederland?

“Dat is voor een deel toeval en voor een groter deel het werk van Chris Dercon (de directeur van museum Boijmans Van Beuningen, BS). Hij vroeg me voor het monument in Rotterdam en voor het gerechtsgebouw in Den Bosch.

“In Rotterdam komt een depot van gevonden voorwerpen. Het moet er oud en versleten uitzien, alsof het er al staat sinds 1880. Op de planken van een achthoekig, barok paviljoen van hout liggen ijzeren afgietsels van koffers en tassen. Het onderwerp van het monument was de emigratie naar Amerika. Ik heb daar de huidige emigratie naar Europa aan toegevoegd. Dat kun je aan de bagage zien, er liggen afgietsels van ouderwetse bundeltjes kleren en van moderne rugzakken. Europa is de bestemming van een nieuwe generatie landverhuizers. Voor hen is Europa nu Amerika.”

Foto van ijzer

“Het monument is een photographer's sculpture. Ik noem het een foto van ijzer. Afgieten lijkt erg op fotograferen. Een foto en een afgietsel zijn allebei een direct spoor van een ding, ze hebben er een hechtere relatie mee dan bijvoorbeeld een tekening; ze laten weten dat het echt bestaan heeft. Dat maakt ze allebei een beetje griezelig. Je kunt het verleden zien. Het wordt nog griezeliger als je met dat gegeven gaat spelen. De koffers zullen zoveel mogelijk worden afgegoten van oude exemplaren, maar niet alle soorten zijn bewaard. Dan moeten we eerst een model bouwen aan de hand van archieffoto's en daar weer een afgietsel van maken.

“Ook dit beeld is weer een experiment met de dubbele identiteit van de fotografie, met haar vermogen zowel 'echt' als 'onecht' te zijn.”

U heeft vaak foto's gemaakt naar beroemde schilderijen, onder meer van Delacroix, Manet en Hokusai. Hoe verhoudt de fotografie zich tot de schilderkunst?

“Fotografie is een ongelooflijk rijk medium. Het is anders en niet anders dan schilderkunst. Toen ik dertig jaar geleden met fotograferen begon, moest een foto zo min mogelijk op een schilderij lijken. In het begin van de fotografie leken foto's wel op schilderijen, maar al snel legden fotografen zich toe op dingen die de fotografie wel kon en de schilderkunst niet, zoals het vastleggen van snelheid. Documentaire foto's werden de norm. Daardoor werd de deur dicht gedaan voor de andere mogelijkheden die het medium nu eenmaal heeft. Foto's waren bijvoorbeeld bijna altijd klein omdat ze in boeken afgedrukt moesten worden. Ze hingen niet levensgroot aan de muur in musea. Geënsceneerde fotografie was taboe, iets Victoriaans waarmee serieuze kunstenaars zich niet inlieten. Geïnspireerd door de reclame, de film en de pop art begon een groep kunstenaars in de jaren zestig een gevecht tegen het gevecht tegen de schilderkunst.”

'Dead Troops Talk' doet denken aan een negentiende-eeuws historiestuk. Zulke schilderijen worden niet meer gemaakt. Heeft de fotografie hier, net als bij het portret, de taak van de schilderkunst overgenomen?

“Er worden nu inderdaad weinig historiestukken geschilderd. Dat ligt voor een deel aan de opleidingen. Abstracte schilderijen zijn de norm geworden in de schilderkunst, zoals documentaire foto's de norm waren in de fotografie. Maar misschien schildert iemand over een jaar wel historiestukken die iedereen fantastisch vindt. Dead Troops Talk is een gedicht. Ik vroeg me af waar dode soldaten over zouden praten als ze meteen na hun dood weer tot leven zouden komen.”

Waarom koos u voor de oorlog in Afghanistan en niet voor een bekendere oorlog, zoals die in Vietnam?

“Van Vietnam bestaan genoeg beelden, het is een overbelichte oorlog. Ik wilde Dead Troops Talk al in 1986 maken, toen de oorlog in Afghanistan nog bezig was. Het heeft tot 1992 geduurd omdat ik moest wachten tot de computertechniek zo ver gevorderd was dat de foto er realistisch uit zou kunnen zien. Ik heb alle personages apart gefotografeerd en met de computer bij elkaar gezet. Ook de wonden zijn met de computer echter gemaakt. Dat luistert op een foto nauwer dan in een film. Als in een film een hoofd uit elkaar spat, zie je het maar een halve seconde.

My Own Private Afghanistan

“Dead Troops Talk ziet er nu realistisch uit, alles klopt, tot en met de uniformen, maar het blijft een hallucinatie. Om welke oorlog het gaat, doet er uiteindelijk niet zoveel toe. Kent u de film My Own Private Idaho van Gus van Sant? Dead Troops Talk is My Own Private Afghanistan.”

Als u over Giving of het monument praat, noemt u uzelf fotograaf. Als u over uw foto's praat noemt u zich kunstenaar.

Naast fotografen heb je nu kunstenaars die fotografie gebruiken. Dat is een nieuwe categorie. Deze kunstenaars accepteren de wetten van de fotografie niet. Ze veranderen ze. Ik onderzoek het medium juist door te kijken waar het met andere kunsten overlapt. Ik kan met foto's schilderijen en films en foto's imiteren. Dat laatste doe ik bijvoorbeeld als ik landschappen maak. En elke keer moet je maar afwachten of het resultaat een kunstwerk is. Baudelaire heeft eens gezegd dat een schoenmaker er vrij zeker van kan zijn dat hij morgen weer een schoen maakt. Maar als je een gedicht hebt geschreven, is er geen enkele garantie dat je er ooit nog een zult maken.''

Voor Den Bosch werkt u nu aan een tapijt.

Het wordt een serie foto's die met behulp van een geavanceerde computer tot tapijt geweven wordt. Op het tapijt zie je mensen op een straat in Vancouver. Ze wachten op elkaar, er gebeurt van alles, maar wat precies is onduidelijk. Kent u de Odradek? Dat is een uitvinding van Kafka, een onooglijk wezen dat zich ophoudt in gangen en trappenhuizen. Odradek ziet eruit alsof hij al lang niet meer heel is, maar dat is schijn. Odradek is zo bedoeld; hij is compleet met ontbrekende onderdelen. Volgens mij is elke weergave van een gebeurtenis een Odradek. You can't picture everything. Dat leek mij wel toepasselijk voor een rechtszaal. Het werk zou eerst A Partial Account Complete With Missing Parts heten. Maar dat vond ik toch te didactisch. Nu heet het A Partial Account.''