Fazanten moesten Schuberts homoseksualiteit bewijzen

Brian Newbould: Schubert. The music and the man. University of California Press Berkeley Los Angeles, 465 blz. ƒ 123,50

Friedrich Dieckmann: Franz Schubert. Eine Annäherung. Insel Verlag Frankfurt, 379 blz. ƒ 55,20

Michael Stegemann: Franz Schubert. 'Ich bin zu Ende mit allen Träumen'. Piper München Zürich, 486 blz. ƒ 57,30

Georg Braungart en Walther Dürr: Über Schubert. Philipp Reclam jun. Stuttgart, 310 blz. ƒ 26,35 (geb) ƒ 16,50 (pocket)

Otto Erich Deutsch: Schubert. Die Dokumente seines Lebens. Breitkop & Härtel Wiesbaden, 685 blz. ƒ 137.20

Cas Smithuijsen: Het luisterpeloton. Boekmanstichting, Herengracht 415 Amsterdam. 158 blz. ƒ30,-

Dit jaar is een Schubertjaar: het is 200 jaar geleden dat Franz Schubert op 31 januari 1797 werd geboren. Het is echter niet de geboorte van Schubert die al generaties muziekliefhebbers interesseert en intrigeert, maar zijn vroege dood, op 19 november 1828. Wat dat betreft was 1978, toen zijn 150ste sterfdag werd herdacht, een betekenisvoller en aangrijpender Schubertjaar. Het tijdstip van de dood is immers voor het nageslacht het ideale virtuele uitzichtspunt. We kijken vanaf dat emotievolle moment graag terug op het oeuvre en de levensloop van de componist. En we zien als het ware vooruit naar het beeld dat in de loop van de tijd van hem is ontstaan, naar het heden, naar wat wij nu vinden van de componist en zijn muziek.

Het Schubert-geboortejaar 1997 is alleen al daarom onvergelijkbaar met bijvoorbeeld het Mozart-sterfjaar 1991. Bovendien is 1997 ook nog het jaar van Brahms (100 jaar dood) en van Mendelssohn (150 jaar dood). Uitgaven van boeken over Schubert, plaatprodukties van zijn muziek, concerten, voorstellingen en herdenkingen kunnen het - zeker buiten Oostenrijk - in hoeveelheid en belang niet halen bij wat er zes jaar geleden gebeurde rond Mozarts sterfdag.

Hoe populair is trouwens Schubert, in vergelijking tot andere componisten? Bij een recent gepubliceerd onderzoek van Cas Smithuijsen uit 1993 naar de mate van 'geliefdheid' van componisten in ons land, was de volgorde aan de top: Mozart, Beethoven, Bach, Mahler, Tsjaikovski, Chopin, Brahms, Schubert, Haydn, Schumann, Mendelssohn, Bruckner, Stravinsky.

In 1961, toen de eerste versie van dit nu exact herhaalde onderzoek werd gedaan, stond Schubert op plaats negen, nu staat hij op acht. Toen was Beethoven nog de meest geachte componist, nu overstraalt Mozart iedereen. Nog veel meer dan Schubert beantwoordt Beethoven aan het romantische ideaal van de kunstenaar als noeste werker, woekerend met zijn talent, wachtend op vonken van inspiratie, de schepper van de prachtigste muziek, miskend door zijn tijdgenoten.

Beethovens symfonische oeuvre - nog maar kort geleden in complete cycli een vast onderdeel van het concertrepetoire - vormt een degelijker eenheid dan dat van Schubert, van wie slechts enkele symfonieën ècht populair zijn. Het liedoeuvre - omvang en kwaliteit maken Schubert daarin uniek - is kennelijk zó groot en goeddeels zó onbekend, dat het kennelijk slechts bij een minderheid de doorslag in waardering oplevert.

Schubert heerst eerder in de Kleine Zaal met het verfijnde kennerspubliek dan in de Grote Zaal, waar het populairder repertoire klinkt. Daarbovenop komt dan nog Beethovens aansprekende tragiek: de door doofheid gekwelde componist die groteske gebeurtenissen maakte van de door hemzelf gedirigeerde premières. Ook het leed van de musicus, die zijn vleugel kapot hamerde om toch nog maar iets te kunnen horen, en ondertussen in zijn laatste strijkkwartetten wonderbaarlijke, nog lang onbegrepen muziek schreef.

Mozart - op zijn 35ste te vroeg gestorven. Beethoven - op zijn 56ste toch ook nog te vroeg gestorven. Schubert - op zijn 32ste ook al te vroeg gestorven. Dat is het treurige beeld van drie van de vier belangrijkste Weense componisten. Alleen van de op 77-jarige leeftijd overleden Haydn hebben we ruim voldoende, onder andere twaalf missen, meer dan zeventig strijkkwartetten, 52 klaviersonates en 104 symfonieën. Want al hebben Mozart, Beethoven en Schubert alledrie een 'laat' oeuvre, we hadden van elk zo graag nòg veel meer gehad, tiende en latere symfonieën, meer opera's, meer requiems om uit te voeren op hun sterfdag. Schubert schreef meer dan duizend werken. Maar ook omdat hij zich vijftien dagen voor zijn dood bij Sechter aanmeldde voor les in het componeren van fuga's, voelen we het nog steeds precies zoals Schuberts vriend Grillparzer liet hakken in zijn grafsteen:

Der Tod begrub hier einen reichen Besitz

aber noch schönere Hoffnungen.

Wie de in dit Schubertjaar verschenen Schubertboeken doorbladert, wil niet eerst lezen over Schuberts geboorte, maar kijkt hoe zijn sterven wordt beschreven. Al schept het begin van een boek het zo belangrijke perspectief, de laatste woorden boek zijn toch meer een emotionele toets dan de eerste. De laatste alinea van Franz Schubert, eine Annäherung van Friedrich Dieckman is er één van het goede soort. Dieckmann, schrijver en dramaturg, heeft het over het eerste graf van Schubert op het Währinger Friedhof. Zijn stoffelijk overschot kreeg later een ereplaats op het Weense Zentral Friedhof, naast het verplaatste graf van Beethoven en een gedenkteken voor Mozart, wiens exacte graf wij niet kennen.

Dieckmann levert een beschouwing over de door Dialer vervaardigde buste van Schubert op het gedenkteken en zegt dat het de onbekendste Schubert-afbeelding is gebleven. De kop weerspreekt volgens hem het beeld dat de wereld wil hebben van de romantische zanger. Dieckmanns laatste zin luidt: 'Den Todumfangenen zeigt es in der Fülle des Lebens.' In een boek vol bijna onleesbaar nodeloos lange en slechtlopende zinnen is het één van de kortste. Het is in ieder geval goed gezien en mooi gezegd.

Ook treffend is het slot van Über Schubert, een verzameling beschouwingen over Schubert door vierendertig vrienden, musici, dichters en liefhebbers uit verleden en heden: van Grillparzer tot Brendel en Harnoncourt. Peter Härtling, de dichter en schrijver, eindigt: 'Slechts aarzelend verwijder ik me van hem. Ik zie hem als een 'Wanderer', die zich zijn tijd veel bewuster was dan zijn vrienden vermoedden, iemand die zich melancholiek de Verlichting herinnerde en die in een schutkleur tijdens de Restauratie was opgegroeid en die komende vreemden, ons vreemden, in zijn muziek binnenhaalde.'

Brian Newbould eindigt zijn boek Schubert met een dubbelzinnige feestelijke noot. Hij betoogt dat we Schubert niet kunnen verwijten te weinig te hebben geschreven. De intensiteit waarmee in zijn laatste maanden zijn scheppingsvuur brandde, moedigt ons niettemin aan te weeklagen over wat Schubert nog had kunnen schrijven. 'Daarvoor zou niet zoveel reden zijn, ware het niet dat wat hij presteerde na minder dan 32 jaar tijds-ontkennende creativiteit op aarde, ons al meer dan genoeg geeft om te vereren.'

Michael Stegemann, musicoloog, componist en Glenn Gould-biograaf, schreef een fictief dagboek van Schubert, waarin hij feiten, brieven en uitspraken van en over de componist en zijn vrienden verwerkt naast berichten uit de Wiener Zeitung in de periode 1808-1828. Het 'dagboek' eindigt met Schuberts laatste (ongedateerde) brief aan zijn vriend Schober. De zieke, die zegt al elf dagen niets te hebben gegeten of gedronken, vraagt om nog wat lectuur, die moet worden afgegeven bij de vrouw van Ferdinand Bogner in het koffiehuis. 'Mijn broer, die de gewetensvolheid zelve is, zal die dan zeer zeker aan mij overbrengen. Of wat anders. Je vriend Schubert.' Het laatste van vier aanhangsels citeert de kwitantie voor Schuberts graf: 'Dertig gulden voor een eenvoudige rustplaats voor de heer Franz Schubert'.

Die aanhangsels bij Stegemann over Schuberts sterven en begrafenis zijn authentiek, zij het niet altijd compleet weergegeven. Dat kan men zo nakijken in een van zijn voornaamste bronnen: Schubert - Die Dokumente seines Lebens van Otto Erich Deutsch, waarvan nu een nieuwe druk is verschenen. Deutsch (1883-1967) was vor Schubert wat Köchel betekende voor Mozart: hij maakte een register van Schuberts oeuvre. Ook is hij beroemd om zijn biografische documentaties over Händel en Mozart. Zulke boeken met alle originele bronnen zijn de allermooiste: je leest ze alsof je zelf op basis daarvan een biografie moet schrijven. Ze zijn compleet, authentiek en 'objectief'.

Het probleem bij het Schubert-dagboek van Stegemann is dat niet duidelijk is waar in deze lange monologen de letterlijke citaten en gedocumenteerde feiten overgaan in parafrases, in verdraaiing daarvan en in pure fictie. Maar je leert in ieder geval veel Weense uitroepen en verzuchtingen: 'Jessas', 'sakrawolt', 'na, servus', 'no', 'nu', 'pfui'.

Het is natuurlijk aardig in dit 'dagboek' te lezen dat Schubert monkelt na gehoord te hebben dat Beethoven in het voorjaar van 1822 bezig is aan een nieuwe symfonie, die zijn allergrootste moet worden (de Negende), en dat de beroemdste componist van zijn tijd volgens Beethoven-biograaf Schindler gezegd zou hebben dat er in Schubert 'göttliche Funken' waren.

Het was voor Schubert leuker geweest als Beethoven dat inderdaad in 1822 had gezegd. In de puur wetenschappelijke studie Schubert van Brian Newbould lezen we echter dat Beethovens lof voor Schubert dateerde van februari 1827. Dat was een maand voor Beethovens dood en ruim anderhalf jaar voor Schuberts dood, niet bijna vijf jaar eerder, zoals Stegemann ons doet geloven.

Schindler had Beethoven op zijn sterfbed zo'n zestig Schubertliederen laten zien. Als Schindler dat in werkelijkheid vijf jaar eerder had gedaan en Beethoven zou wat luider hebben gesproken en vooral ook tegen anderen dan Schindler, zou het Schubert wellicht hebben behoed voor miskenning. Het zou er misschien toe hebben geleid dat Schubert eens één van zijn symfonieën had horen uitvoeren. Het zou misschien hebben voorkomen dat de Grosse C-dur Symfonie en de Unvollendete pas in 1838 en 1863 werden ontdekt. Nu voegt Stegemann, door Beethoven impliciet in gebreke te stellen, nog een extra legende toe aan de overdaad aan mystificaties over Schubert.

Dan toch maar de Schubert die oprijst op basis van de 'echte' wetenschap in het boek van Brian Newbould, dat zijn levensloop en zijn muzikale ontwikkeling door elkaar heen behandelt. Ook deze auteur is echter niet tevreden met de Schubert, zoals die vastligt in de documentaties van werken en biografische feiten van Deutsch. Newbould, professor in de musicologie in Hull, is ook de man die onafgemaakte werken van Schubert op niet altijd overtuigende wijze 'completeert', zoals de schetsen voor de Tiende symfonie, onlangs in Amsterdam nog uitgevoerd door Sir Simon Rattle.

Het voordeel van het boek van Newbould is dat hij melding maakt van allerlei recente wetenchappelijke vindingen, die - voor de gewone lezer veelal onbereikbaar - vastliggen in tijdschriften en symposiumverslagen. Hij behandelt op rustige, professorale wijze uiteenlopende meningen en inzichten en komt vervolgens tot een bedachtzame conclusie. Het gaat dan vooral om uitvoerig besproken kwesties als Schuberts ziekten, zijn syfilis en zijn seksuele oriëntatie.

Geheel terughoudend en objectief blijft zelfs Newbould niet, als hij veronderstelt dat 'slechte gewoontes' als te veel roken en drinken voortkwamen uit de 'ongetwijfeld' bij Schubert aanwezige kennis, dat hem als syfilislijder slechts een kort leven was beschoren. De kwesties rond Schuberts mogelijke homoseksualiteit en zijn syfilis lopen uiteraard telkens dooreen. Het aardigst gebeurt dat wanneer Newbould vertelt hoe fazanten als bewijs werden geïntroduceerd. Maynard Solomon meent dat ze in het Weense taalgebruik stonden voor 'lekkere jongens', zoals de Florentijnse beeldhouwer Benvenuto Cellini die ook begeerde. Rita Steblin beweert dat fazanten beschouwd werden als medicijn tegen syfilis, ook door Cellini.

In het algemeen blijft Newbould blijft keurig terzijde staan. Hij beweert dat het moeilijk is te accepteren dat heteroseksuele gevoelens bij Schubert ontbraken, maar dat het mogelijk is dat er biseksuele tendensen waren. Bewijzen daarvoor zijn er echter niet. En de professor zegt dat we de puzzel van Schuberts leven nooit geheel in elkaar zullen leggen. Maar dat dacht Schumann al, toen hij bij Schuberts broer de 'Grosse C-dur Symfonie ontdekte, tien jaar na Schuberts dood.