En de zomer lachte beneden op straat om het theater; Poëzie van Uitdehaag

Antoine Uitdehaag: De adem van de zaal. Van Oorschot, 48 blz. ƒ 27,50

In 1994 debuteerde de toneelregisseur Antoine Uitdehaag als dichter met Levenslang vrij. Voor die eerste bundel koos hij vooral autobiografische gedichten, vaak met de vader-zoon-relatie als thema. Het is geen grootse, laat staan vernieuwende poëzie, maar er zijn ten minste twee gedichten - 'Soms' en 'Ik breng je naar bed' - die ook bij herlezing nog ontroeren. En dat is niet het minste dat poëzie bereiken kan.

Ook in zijn tweede bundel, De adem van de zaal, gaat Uitdehaag het autobiografische niet uit de weg. De eigen belevenis is nu echter ingebed in een ruimer thema: het theater. In vier afdelingen, 'Initiatie', 'Repetitieruimte', 'In de coulissen' en 'Het masker van de angst', verkent de dichter zijn relatie met zowel het leven op het toneel als het toneel in het leven. Dat vergt een ander soort regie dan die hij in het dagelijks bestaan bedrijft; maar ook poëzie is voor Uitdehaag een kwestie van in scène zetten of, zoals hij het onder woorden brengt in zijn gedicht 'Ensceneren':

Mezelf bedriegen achter glas. De kaalheid niet zien van de bomen. Met half geknepen ogen de straatuitsnede selecteren, de zon zien ketsen op de keien, vergeten deze winterkleren. Zacht worden. Opschrijven dat het zomer was. Met dit gedicht zijn we al midden 'In de coulisssen'. Het is vooral in deze afdeling dat Antoine Uitdehaag als dichter op dreef komt. De kale, tastende formulering van 'Ensceneren' gaat hem beter af dan de breedvoerige grootspraak van eerdere verzen in De adem van de zaal. Hoe korter de notities, des te meer ruimte krijgen zijn beelden. En daarvan moet Uitdehaags poëzie het hebben: niet zijn taalgebruik is aantrekkelijk, maar zijn regisserende blik.

Toch zijn ook de theatraal geformuleerde herinneringen uit de eerste afdeling, 'Initiatie', intrigerend. Maar het lijkt alsof hier een andere dichter aan het woord is, een navolger van het barokke vloekenpalet dat Thomas Graftdijk bijvoorbeeld twintig jaar geleden in Treurarbeid (1977) etaleerde. 'De struiken buigen/ zich duister over korte broeken, smalende koppen/ over het snikken van de falende kokhals/ stikkend in snot en koper, tussen hemel en hel', schrijft Uitdehaag, terugblikkend op het internaat. 'Maar ik slik alles, ben geschikt als hielelikker/ pieresteker...' Dat komt dicht bij Graftdijks virtuoze scheldkanonnades, maar evenaart die niet.

De adem van de zaal is evenwichtig van compositie, niet van stijl. Te dikwijls wordt een fraai ingezet vers halverwege ontsierd door een net niet pakkende of het ritme verstorende formulering. Niettemin bevat deze bundel, net als Levenslang vrij, ook minimaal twee gedichten die beklijven. Van de acteursgedichten in 'Het masker van de angst' is 'Zeven uur' wat mij betreft het sterkst. Maar krachtiger nog is 'Auditie' uit de eerste helft van de bundel. Niet omdat wat er gezegd wordt niet anders had kunnen worden geformuleerd, maar om de perfecte verbeelding van het spanningsveld tussen theater en leven.

Er zat een meeuw stil op een stoel in het lokaal. Het raam stond open en de zomer lachte beneden op straat om het theater. Zij trok haar zwarte sjaal dicht om zich heen en trok nog met haar been. Gespeeld en zenuwen. Ik luisterde naar de adem van de zaal en liet haar nog eens en toen nog eens. Een onbetrouwbare traan nam haar mascara mee. Nee, dat bedoel ik niet nee nee Ik ben een meeuw.