Elke dag zwaardvis

De hele nacht aten we chocoladetaart. De Zeerover had niet één chocoladetaart gebakken, maar minstens tien. Blijkbaar was het in het land waar Secundo vandaan kwam traditie je helemaal ongans te eten aan chocoladetaart voordat je een overval ging plegen.

Voor de ene taart goed en wel op was, werd de volgende al binnengebracht. De taart maakte een ererondje, onder luid applaus. Als de ereronde voorbij was, werd er warme frambozensap over de taart uitgegoten. Zodat het bovenste laagje chocolade smolt. En de dwerg zei: 'Deze is nog mooier dan de vorige.'

'Eet', riep Valentina, 'eet, je weet niet wanneer je weer te eten krijgt.'

'En drink', riep de Zeerover, 'je weet niet wanneer je weer te drinken krijgt.'

De hele nacht dansten we. We dansten op liefdesliedjes en op liedjes waarin de huwelijksnacht wwed bezongen. We dansten op liedjes waarin een bedrogen echtgenote aan het woord kwam die wraak beloofde. We dansten op liedjes over soldaten aan het front die wisten dat ze zonder benen naar huis zouden gaan. We dansten op liedjes waarin werd uitgelegd hoe je een rijke boer om de hand van zijn dochter moet vragen en we dansten op liedjes die alleen maar liedjes waren.

Secundo nam de dwerg op zijn schouders, en ook de dwerg zong. Een beetje krakend weliswaar, en af en toe onderbroken door een hoestbui, maar toch, hij zong.

Ik danste met Connie. 'Morgen om deze tijd is alles anders', zei ze.

'Waarschijnlijk', antwoordde ik, 'waarschijnlijk'.

Halverwege het lied van de dwerg excuseerde Manuel zich. Hij pakte zijn zwabber en zijn tennisbal. En toen rende hij net als al die andere nachten dat hij in de The Eccobeli Brothers had gewerkt met zijn zwabber door het lege restaurant achter de tennisbal aan. Het was zijn tijdverdrijf, zijn manier om de eenzame nachten door te komen.

'Je weet nooit of het de laatste keer is', zei Manuel. Het was niet duidelijk of hij de laatste eenzame nacht bedoelde, of de laatste keer dat hij achter een tennisbal aan kon rennen, of misschien wel allebei. Wat zou hij zeggen als ze hem over het leven vroegen? 'Een hoop eenzame nachten meneer, maar voor mij waren ze niet eenzaam. Ik rende met mijn zwabber door het lege restaurant achter de tennisbal aan.'

En toen, om zes uur in de ochtend werd de grootste taart binnengebracht. Het was een taart van vijf verdiepingen. Op de bovenste verdieping stond geschreven: The Eccobelli Brothers. En eromheen hadden ze een hoop slagroom gespoten, zodat het leek alsof de taart in een heuvellandschap van sneeuw stond.

'Ik krijg buikkrampen', zei Manuel, maar Secundo zei dat dat allemaal verbeelding was.

We gingen om de taart zitten.

'Het lijt wel een huwelijkstaart', zei de dwerg.

'Het is een huwelijkstaart', zei Secundo.

We staken onze vingers in de slagroom, en likten ze af, zodat het heuvellandschap langzaam verdween.

'Weet je wat ik met het geld ga doen', zei Secundo, 'ik ga naar de zee waar de walvissen springen. Waar ze wel twintig meter in de lucht springen. En dan ga ik langs de kant zitten. Om naar de walvissen te kijken. Om te zien hoe ze springen.'

'En ik', zei Valentina, 'ik ga naar Detroit, waar mijn geliefde woont, de politieman. Een avondkleed zo schitterend dat je ogen beginnen te tranen als je ernaar kijkt. En de politieman volgt me. Hij laat zijn vrouw en kinderen achter. Hij kan niet anders. Hij komt me gewoon achterna. En we zullen altijd gelukkig zijn.'

'En ik', zei de dwerg, 'ik ga terug naar het circus. Ik was een acrobaat, een heel beroemde acrobaat. Keizers hebben mijn hand gekust. En tijdens de finale van mijn nummer, stond ik in de nok. De trommels roffelden. En iedereen dacht dat ik zou gaan springen, maar ik sprong niet. Ik begon te zingen. Terwijl ik daar hoog boven de mensen op een kleine plank stond, zong ik, over mijn vader die een dwerg was, en over mijn moeder die een dwerg was, over mijn geliefde die een dwerg was, en over onze werkster die een dwerg was, en over onze postbode die ook al een dwerg was. En als het lied afgelopen was gingen de schijnwerpers aan, zodat ik het publiek kon zien, hoe ze me kushandjes toewierpen. En toen pas, toen niemand het meer verwachtte, maakte ik mijn sprong.

'En ik', zei Manuel, 'ik begin mijn eigen schoonmaakbedrijf. Ik heb wel honderd mensen in dienst. Ik zit achter een bureau en doe niets. Ik slaap heel veel. En aan het eind van de dag neem ik alle schoonmakers mee naar huis en zeg, en ga nou mijn huis schoonmaken, ik wil geen stofje meer zien. Maar mijn huis is zo groot dat ze er wel twee weken mee bezig zijn.'

'En ik', zei de Zeerover, 'ik laat mijn familie overkomen, mijn ooms en tantes, mijn broers, hun vrouwen, en hun kinderen. En ik geef gouden horloges weg alsof het pepermuntjes zijn.'

'En ik', zei Connie, 'ik ga terug naar mijn dorp. En ik begin opnieuw met leven. Ik ben alles vergeten. De kus die ik geef zal de eerste kus zijn, de wijn die ik drink zal de eerste wijn zijn, en de jurk die ik koop zal de eerste jurk zijn. En dan ga ik naar het graf van mijn ouders en ik zal voor ze dansen. Ik zal voor ze dansen in mijn mooiste kleren, als een vlinder, tot het avond wordt.'

'En ik', zei ik ten slotte, 'ik begin een Italiaans restaurant. Ik kom nooit meer naar buiten, maar dat is niet erg want iedereen komt naar het restaurant. Ik zal dik en kaal worden, maar ook dat is niet erg. De mensen zullen mijn handen kussen en zeggen, geef ons een goeie tafel. Of, geef ons dit, of, geef ons dat. En ik zal fluisteren. Voor mijn vrienden: alles. Voor mijn vijanden: nog niet eens rechtvaardigheid.'

Toen klapte Secundo in zijn handen: 'We moeten gaan', zei hij. We pakten onze spullen. De fiets, de brommer, het wapen, de bivakmutsen en de panty's.

In het oosten was het al licht aan het worden.

En we gingen. (wordt vervolgd)