Een lange dunne dichteres van twaalf

Veel dichters zijn jong begonnen met dichten. Maar zó jong als de Nieuw-Zeelandse Laura Ranger - dat is uitzonderlijk. Het is niet eens zo heel uitzonderlijk dat een kind gedichten schrijft, dat doen een heleboel kinderen wel eens. Dan zeggen ouders en andere volwassenen: ja heel leuk hoor, maak er nog maar een. En dat is dat. Maar bij Laura ging het anders. Met haar gedichten begonnen volwassenen opgewonden door het huis te lopen, ze lieten het aan elkaar lezen, ze knikten met hun hoofden en uiteindelijk was er een uitgever die zei: dit moet gedrukt worden.

Laura Ranger: Laura's gedichten. Vertaald door Guus Middag en Gerrie Bruil. In deze bundel staan gedichten die ze tussen haar 6de en 9de schreef. Uitgeverij De Bezige Bij, prijs ƒ 22,50

Laura begon te dichten toen ze zes was en nog niet zo erg goed kon schrijven. Dus het was een heel werk om een gedicht te maken. Later kreeg ze een tekstverwerker, zodat ze kon typen, dat ging makkelijker dan met de hand zwoegen. Ze schreef gedichten over wat ze zag en dacht. Bij voorbeeld over herfstbladeren: “Rode bladeren/ gouden bladeren/ ze zitten los/ net als mijn voortanden/ dan vallen ze uit”.

Een gedicht dat ze schreef toen ze zeven was, 'Het tweewoordsgedicht' kwam in een belangrijke bloemlezing te staan. Veel mensen vonden dat het mooiste gedicht uit de bloemlezing. Daarna won Laura een prijs samen met een vooraanstaande Nieuw-Zeelandse dichter en toen ze tien was kwam haar debuutbundel uit. Die stond al gauw boven aan de lijst met bestverkochte boeken: iedereen in Nieuw-Zeeland wilde haar gedichten lezen.

Nu is Laura Ranger twaalf. Ze was deze week in Nederland om voor te lezen op een groot dichtersfestival in Rotterdam, Poetry International. Laura is een heel lang, heel dun meisje, met heel veel dik koperblond haar, en met een vader, een moeder en een kleiner broertje die ook allemaal zijn meegekomen. Want twaalfjarige dichteressen gaan nog niet in hun eentje op toernee. Maar ze moeten wel, net als oudere dichters, helemaal in hun eentje op een reusachtig podium staan in een schijnwerper, tegenover een grote donkere zaal waarin allemaal mensen zitten te staren. En dan moeten ze voorlezen.

Laura was van te voren heel zenuwachtig. Daarom had ze zich goed voorbereid. Bij elk gedicht dat ze voorlas vertelde ze even iets. Over haar in Nieuw-Zeeland beroemd geworden 'Het tweewoordsgedicht' zei ze: “Een heleboel mensen vinden dit mijn beste gedicht. Maar het is niet mijn favoriete gedicht. Toch zal ik het voorlezen.” Daarna las ze het voor in het Engels, want dat spreken ze in Nieuw-Zeeland, en ook nog in het Nederlands. Natuurlijk spreekt Laura geen Nederlands. Ze had met een Nederlander op haar hotelkamer geoefend op de uitspraak. Ze kon daardoor iets heel goed wat de meeste buitenlanders die Nederlands proberen te spreken niet kunnen: het woord 'afschaffen' zeggen. Meestal is 'sch' te moeilijk. Maar als Laura het woord 'zee' moest zeggen dan zei ze als vanzelf 'zie'. Het was heel aardig van haar om zoveel moeite te doen om zich voor de Nederlanders in de zaal verstaanbaar te maken. Ze kreeg dan ook veel applaus. En niet alleen daarom. Ook omdat ze zulke grappige, leuk klinkende gedichten schrijft. Kinderen uit haar klas zeiden een keer in een krant: “Laura schrijft niet zoals andere dichters - je kunt haar gedichten begrijpen en ze zijn leuk om te lezen. Laura's boek is geschikter voor kinderen, omdat kinderen haar gedichten volgens ons beter begrijpen dan volwassenen. Sommige volwassenen lezen ze wel en begrijpen ze misschien, maar kinderen begrijpen ze nog beter - wij in ieder geval wel.”

Het tweewoordsgedicht

De pad zat op een rode stoel het was een paddestoel

De roos stond in de wind en wees alle kanten op het was een windroos.

Welke taart legde beslag op mijn taartbeslag?

De boot die in zicht kwam bood mij inzicht.

Ik leunde tegen een schap en dacht aan wat ik weten wou. Het was wetenschap.