Duitse televisiefilm over de oorlog tussen de RAF en de Duitse regering; De goeien en de kwaaien zijn van plaats gewisseld

De Duitse fimregisseur Heinrich Breloer heeft net zijn televisie-film Todesspiel voltooid, een tweeluik over de oorlog tussen de RAF en de Duitse staat in de herfst van 1977. “Hij pakt de ene partij met fluwelen handschoenen aan en de andere met handschoenen van een soort wol die enigszins jeukt.”

Todesspiel is op 24 en 25 juni te zien op Duitsland 1, aanvang 20u15. Het gelijknamige boek verscheen bij Kiepenheuer & Witsch en kost ƒ 29,50.

Twintig jaar geleden was je rechts of links. En als je links was kon je de strijd van de Rote Armee Fraktion tegen de zogenaamde dictatuur van het kapitalisme meestal wel, al was het maar in principe, waarderen. De meeste tieners en twintigers en dertigers van toen begrijpen hun begrip van vroeger niet meer: hun liefde voor de RAF hebben zij samen met die voor Fidel Castro, Mao en de DDR op een grote vuilnisbelt gedumpt.

Dit is het dilemma van wie de leeftijd hebben bereikt om op het recente verleden terug te blikken: zij hopen dat onbevangen te kunnen doen omdat ze niet meer in links-rechts-schema's gevangen zitten, maar de radicale afrekening met het oude ideologische denken heeft nieuwe taboe-zones geschapen. Over sommige dingen kun je maar beter je mond houden, luidt de consensus, want niemand wil de schande beleven voor terrorist of communist of, erger nog, voor wereldverbeteraar te worden uitgemaakt.

Ook de Duitse filmregisseur Heinrich Breloer (1942) lijkt in dat dilemma bekneld geraakt te zijn. Met zijn net voltooide televisiefilm Todesspiel, een tweeluik over de oorlog tussen de RAF en de Duitse staat in de herfst van 1977, wil hij een openbare discussie uitlokken. Hij vindt het tijd worden om dit 'nog steeds verdrongen' hoofdstuk uit de Westduitse geschiedenis collectief te verwerken, te bewältigen, zoals de Duitsers het zo mooi zeggen. In het o zo sensibele Todesspiel pakt hij echter de ene partij met fluwelen handschoenen aan en de andere met handschoenen van een soort wol die enigszins jeukt. Met andere woorden: de vertegenwoordigers van de gevestigde orde zijn hier de goeien, terwijl de RAF de rol van kwaaien krijgt toebedeeld. Waarmee hij toch weer in het oude schema terugvalt, maar dan omgekeerd.

Breloer, die vroeger geëngageerde films maakte over Bertolt Brecht en over 'schrijvende arbeiders', zegt nu over de RAF dat hij altijd al overhoop lag met vrienden van hem die ermee sympathiseerden. Zijn mening zou, kortom, de afgelopen twintig jaar niet zijn veranderd. Wat mij betreft had hij best van mening mogen veranderen. Wat mij betreft mag hij ook best partij kiezen voor de vijanden van de RAF. Ik weet alleen niet of hij de discussie daarmee zo'n goede dienst bewijst. Maar laten we eerst eens zo onbevangen mogelijk over de film berichten.

Die werd woensdag in Bonn alvast aan de pers getoond; hij is geproduceerd door WDR en NDR en volgende week zal hij op de Duitse televisie worden uitgezonden. Een kersvers boek van Breloer, dat ook Todesspiel heet, completeert het ambitieuze project. Elk filmdeel duurt negentig minuten en die minuten zijn door de regisseur intensief gebruikt. Vijftig hoofd- en bijrolspelers uit het drama van 1977 heeft hij geïnterviewd; kilometers celluloid heeft hij uit de archieven gehaald en geselecteerd; het voor de film gedane speurwerk is ronduit indrukwekkend. De film zelf trouwens ook.

Schleyer Gespeelde scènes gaan naadloos over in oude journaalbeelden of in interviews met de mensen die zonet nog door acteurs werden uitgebeeld. Sommigen van de geïnterviewden zijn wijzer geworden, anderen niet, maar allen zijn duidelijk ouder en met wat goede wil zie je de sporen die het drama in hun gezichten getrokken heeft. Het drama van 1977: dat was de ontvoering van de Duitse werkgeversvoorzitter Hanns-Martin Schleyer op 5 september en dat was de kaping van een Lufthansa-vliegtuig vol vakantiegangers op 13 oktober - een kaping door Palestijnse terroristen die de vrijlating van 'al hun in Duitsland gevangen gezette kameraden' eisten. Dat was de gewelddadige dood van de RAF-leiders Andreas Baader, Gudrun Ensslin en Jan-Carl Raspe op 18 oktober in de Stammheim-gevangenis en dat was, een dag later, het door de RAF aan Schleyer toegediende nekschot ergens in een donker bos aan de Duitse grens.

Breloer reconstrueert de gebeurtenissen minutieus, en diverse details beklijven. Zoals die kinderwagen waar de RAF-scherpschutters op Schleyers bewakers ineens hun Heckler & Koch-geweren uit te voorschijn halen. Zoals het witte hondje dat de kofferbak van de auto besnuffelt waarin de ontvoerde Schleyer ligt. En dan dat ene ontspannen moment tussen Lufthansa-stewardess Gaby Dillmann (gespeeld door Susanne Schäfer) en de Palestijnse terroriste Souheila Andrawes (Neza Selbus), die samen roken en kringetjes blazen. Waarna dezelfde Souheila resoluut alle tax-free drankflessen over de passagiers leeggiet opdat zij beter zullen branden.

Neemt de regisseur in deel één nog een zekere journalistieke distantie in acht, compleet met verklarende ondertitels, onopvallende muziek en een perfecte balans tussen documentair materiaal en gespeelde fragmenten, in het tweede deel, over de vliegtuigkaping, laat hij zich veel meer gaan. De muziek is harder, de acteurs spelen meeslepender en er is zelfs een sentimentelige liefdesscène. Op Breloers inleving in het leed van de vakantiegangers aan boord van het Lufthansa-luchtschip valt weinig aan te merken: wie leeft er nìet mee met onschuldige slachtoffers? Maar met zijn in koele journalistiek verpakte sympathie voor dat andere slachtoffer, Schleyer, ligt het net even anders.

Het feit dat deze man bij de SS was wuift de maker van Todesspiel weg met een citaat van Schleyers weduwe: wanneer zij in een interview zegt dat haar man niks met die schurken te maken had, slaakt Breloer een zucht van verlichting. Een smet op het blazoen van martelaar Hanns-Martin Schleyer staat niet - dus wordt er ook niet ingegaan op het hardhandige optreden van deze Mercedes-Benz-topman tegen stakende arbeiders. Nee, Schleyers voorgeschiedenis speelt hier geen rol, en àls zijn ontvoerders er al eens aan refereren, dan is dat om te laten zien hoezeer zij hem kwellen. Acteur Hans Brenner die Schleyer vertolkt is een goeiïge lobbes met verwarde haren, groeiende wallen onder zijn ogen en in close-ups gefilmde handen die nerveus in elkaar haken. De RAF zet Schleyer letterlijk in zijn hemd, en wel als hij vanuit de schuilplaats een voor de televisie bestemd bericht moet voorlezen dat de ontvoerders zelf filmen.

Arrogante, gevoelloze blaaskaken zijn de leden van de RAF in Todesspiel. Het zijn hier niet eens intellectuélen; de slogans waarin ze spreken hebben minder dan mavo-niveau en ook bij het vernederen van hun slachtoffer gaan ze met weinig raffinement te werk. Verder dan de fantasieloze vloek 'vuil nazizwijn!' komen zij niet - maar voor de arme Brenner/Schleyer is dat erg genoeg om van pijn ineen te krimpen. Ondanks of juist dankzij hun dommigheid zijn deze ontvoerders echte beulen; de geïnterviewde ex-RAF-man Peter Jürgen Boock vertelt ons dat zij hun schuilplaats als een volksgevangenis zagen. Dat wil zeggen: zijzelf, zij waren dus het volk, en dat had het volste recht om de gevangen volksvijand te veroordelen.

Martelaar De plaatsen van handeling in Todesspiel bestaan uit vier gevangenissen: de Volksgefängnis waarin Schleyer met zijn bewakers zit, de Stammheim-gevangenis waar de RAF-kopstukken zitten, de gevangenisachtige kamer waar de crisisstaf van de Duitse regering beraadslaagt, en het vliegtuig met de gegijzelde passagiers. Dramaturgisch gezien is dat een goede vondst, maar de beklemming krijgt mij niet overal in z'n greep omdat ik de regisseur wantrouw. Zoals Schleyer tot martelaar wordt verheven, zo worden de mannen van de Duitse regering tot tragische medespelers die het goede wilden (de RAF lamleggen) en dat uiteindelijk ook min of meer bereikten, maar wel ten koste van een menselijk leven, ten koste van de kostelijke Hanns-Martin Schleyer.

En zo worden de RAF-ontvoerders net als de PLO-kapers tot eendimensionele moordenaars die in één kromme zin mogen uitleggen wat hen tot moordenaars heeft gemaakt, zonder dat de regisseur hun sociale engagement, of wat daarvan over is, ook maar een moment serieus neemt.

In een vragenuurtje na afloop van de voorvertoning zei Breloer dat hij ervan had afgezien de RAF-leden een dramatisch interessant karakter mee te geven omdat zij dat nu eenmaal niet hàdden: wat is er nou interessant aan paramilitair georganiseerde jongelui die domweg commando's uitvoeren? Daar zit wat in, maar hoe interessant was de militair georganiseerde Grenzschutztruppe die het gekaapte vliegtuig in Mogadishu bestormde en die in de film een heldenrol speelt? Hoe interessant zijn de leden van een strak georganiseerde regering? Toont Breloer niet juist aan dat zij allemáál in een gevangenis zitten? In Todesspiel zijn het uitsluitend de terroristen die van Duitsland een gevangenis maken. Maar hoe zat het met de rest van de Duitse samenleving? Met het bedrijfsleven, dat trouwens ook de Heckler & Kochs produceerde van Schleyers moordenaars? Met de crème de la crème van de politiek die, zoals uit de film blijkt, nauwe banden onderhield met de crème de la crème van dat bedrijfsleven en die, wat slechts besmuikt uit de film blijkt, voor een niet onaanzienlijk deel uit lieden bestond die het destijds goed met Hitler hadden kunnen vinden? Zijn de misdaden van de jongens en meisjes van de RAF wel los te koppelen van de misdaden van hun ouders?

Todesspiel is niet dè film over de Duitse Herfst; daarvoor verzwijgt hij te veel.