De overheid moet voor de betere films een apart fonds creëren

In de recente voorstellen voor een nieuw filmbestel worden kunstzinnige en commerciële producties zonder onderscheid op één grote hoop gegooid. Regisseur Gerrit van Elst heeft een beter idee.

Maandag overleggen de ministeries van OCW, Financiën, Economische Zaken en de filmwereld over voorstellen voor een ander filmbeleid. Deze behelzen een belastingmaatregel voor wie in film wil investeren en financiële steun voor producties met particulier kapitaal. Ook van de omroepen en OCW wordt extra geld verwacht. Iedere maand zou zo een Nederlandse tv-film uitgezonden moeten worden.

Het zijn mooie plannen, maar is de filmindustrie niet toe is aan een grondiger reorganisatie? Film hoort naast toneel, muziek en dans thuis in het rijtje cultuuruitingen dat onder het ministerie van OCW valt. De jongste van de dramatische kunsten wordt daar stiefmoederlijk bedeeld: per jaar gaat 265 miljoen naar toneel, dans en muziek, en slechts 24 miljoen gulden naar film. Toen theatergroepen zich in de jaren zestig en zeventig naar Den Haag spoedden om de politiek te helpen haar goede bedoelingen over cultuurspreiding waar te maken, keken de filmproducenten liever naar Hollywood. Film was industrie en overheidsbemoeienis was minder gewenst. Het lukte in die tijd ook om fondsen op de vrije kapitaalmarkt te werven voor films die de investeerders niet teleurstelden zoals Blue Movie, Wat zien ik en Turks Fruit. Films die al dan niet bewust inspeelden op de behoefte aan vrijheid, met name seksuele vrijheid. Het was dus ook begrijpelijk dat men huiverig was voor uitlevering aan een bemoeizuchtige overheid. Men dacht zelf een winstgevende bedrijfstak op te kunnen bouwen.

Daarna moest de broekriem worden aangehaald. Kassuccessen bleven uit en er werd een beroep gedaan op filmfondsen van de overheid en de omroepen. Maar inmiddels waren we in een andere tijd. De achterstand in steun kon niet meer worden ingelopen. Vrijwel iedere producent loopt nu aan de leiband van het Filmfonds en het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepprodukties, waar hij zijn projecten stuk voor stuk moet laten toetsen op hun artistieke waarde.

Ondertussen is het bedrijfstakje nog steeds niet uit de vraag of men nu van de kermis is of van de cultuur. Dat blijkt ook uit de partijen die maandag bij het overleg zijn: de ministeries van Financiën en Economische Zaken en dat van OCW.

Natuurlijk is het goed om al die visies te respecteren. Maar daar moeten dan wel consequenties aan worden verbonden. Wil de Nederlandse filmindustrie de nodige kapitaalinjecties krijgen, dan moet in de bedrijfstak een tweedeling worden aangebracht. Een producent moet niet op twee paarden kunnen wedden. De betrokken overheidsinstanties kunnen dan te makkelijk achteroverleunen en naar elkaar verwijzen: “Sorry, u moet bij dat loket zijn.”

Voor de hand ligt een structuur zoals die in het theater bestaat. Daar is al een tweedeling tussen gesubsidieerde theatergroepen en vrije producties. Op dezelfe manier zouden Nederlandse filmproducenten moeten kunnen kiezen of ze de weg willen volgen van Joop van de Ende/Theater van de Lach of van Toneelgroep Amsterdam/Toneelgroep de Trust.

Geheel 'vrije' filmproducties zijn in Nederland moeilijk te realiseren. Veel investeerders zijn (terecht) huiverig voor verliezen. Overheidssteun lijkt voorlopig dan ook onontbeerlijk. Die zou moeten komen van Economische Zaken en Financiën. Artistieke of inhoudelijke criteria hoeven daarbij geen rol te spelen. Uitgangspunt moet zijn dat voor commerciële films voor een groot publiek investeerders geïnteresseerd moeten worden en dat er gestreefd wordt naar het maken van winst. Dat wekken van interesse zal overigens nog niet meevallen. De kans dat men bij een filmproductie geen winst maakt of het geïnvesteerde kapitaal kwijt is nu naar schatting 60 procent. Wie belegt in aandelen of onroerend goed kan zonder noemenswaardig risico 10 à 25 procent winst per jaar genereren.

Voor de fondsen van OCW moet een andere bestemming gevonden worden. Daar zouden stichtingen zonder winstoogmerk films kunnen produceren die worden bekostigd door de overheid en semi-overheidsinstellingen als het Stimuleringsfonds. Voor dit deel van de bedrijfstak is meer geld nodig dan de huidige 24 miljoen. Rechtvaardiger zou zijn de steun gelijk te stellen met de die voor andere dramatische kunsten, zeg 85 miljoen per jaar.

Producenten die op dit geld een beroep willen doen, zouden een beleidsplan moeten formuleren met een looptijd van bijvoorbeed vier jaar. Op grond hiervan ontvangen zij exploitatie-subsidie, die ze naar eigen inzicht mogen besteden. Enige voorwaarde is dat hun projecten binnen de criteria van hun plan vallen. Na afloop volgt een oordeel op grond van artisticiteit, inhoud en bezoekersaantallen door de Raad voor Cultuur. Voldoet een producent dan niet, dan houdt de geldstroom op en krijgt een ander een kans.

Het grote voordeel dat een gesubsidieerde filmproducent zo zelf een beleid en een visie op film kan ontwikkelen. Hij hoeft zich niet langer bij elk project een loket-afloper van fondsen en omroepen te voelen. Hij krijgt zijn verantwoordelijkheid als producent terug. Hij en het (sterke) bestuur van zijn stichting kunnen op hun beleidskeuzes worden aangesproken.

Iedere stichting zou bijvoorbeeld jaarlijks 5 miljoen gulden kunnen krijgen. Genoeg voor één grote film van 7,5 miljoen gulden in anderhalf jaar, of drie goedkopere films in één jaar. Stel dat er dertien gesubsidieerde speelfilmproducenten zijn, dan zou zo nog een bedrag van 20 miljoen per jaar over blijven voor korte films, documentaires en animatiefilms, die op dezelfde wijze of via projectsubsidies geregeld zouden kunnen worden.

Waarom deze heisa en deze rigoureuze scheiding tussen de 'vrije' en de gesubsidieerde film? Omdat de Nederlandse film zichzelf in beide richtingen serieus moet nemen. Het zou ook in Den Haag helderheid verschaffen. De drie ministeries hoeven geen angst meer te hebben dat zij zich op elkaars terrein begeven. De 'vrije' film moet doen wat sommige producenten het liefst doen: publieksgericht en commercieel een goed product maken. En de gesubsidieerde film kan méér bieden dan vakmanschap en amusement.

Film is het medium bij uitstek om onze samenleving en ons individuele gedrag onder de loep te nemen; om het te verdichten en uit te vergroten. Dat kan met films als VD en De Aanslag via Van Geluk Gesproken, Duizend Rozen en Antonia, tot De nieuwe moeder, Hufters en hofdames en Karakter. Stuk voor stuk films van redelijke tot goede kwaliteit die bij de kassa geen kapitalen hebben opgeleverd maar die net zo veel reden van bestaan hebben als de voorstellingen van gesubsidieerde toneelgezelschappen. En als ze specifiek en goed genoeg zijn, vinden ze ook nog wel internationaal hun weg. Dat bleek bij Antonia, De Aanslag en Abel.

Er is niets tegen films als Turks Fruit, De Lift, Flodder en All Stars. Integendeel, ik en veel anderen hebben er van genoten. Maar als de hele filmwereld zich bij voorbaat als bedrijfsleven - filmindustrie - in Den Haag aanmeldt, zijn er weinig garanties voor de toekomst van films als Belle van Zuylen, Duizend Rozen, De Dream en De Drie Beste Dingen van het Leven. Die zullen dan al tijdens de financiering een snelle dood sterven. Ondanks hun geringe kassucces had ik ze niet graag willen missen.

Het zou een verschraling zijn die de film en de Nederlandse cultuur tekort doet.