De Holocaust en de vrije wereld

In de literatuur over de Holocaust is de kring van schuldigen steeds groter geworden. Niet alleen Hitler en de andere nazikopstukken, de SS, of de Wehrmacht, ook het hele Duitse volk zou schuldig zijn. De democratische landen en de geallieerden wordt hun afzijdigheid verweten. Een nieuwe historische studie toont aan dat dit laatste maar zeer de vraag is.

William D. Rubinstein: The Myth of Rescue. Why the democracies could not have saved more Jews from the Nazis. Routledge, 267 blz. ƒ 66,10

Keer op keer duikt het misverstand op dat geschiedschrijving over het verleden gaat. Vanzelfsprekend biedt een thema als de Tweede Wereldoorlog en met name de holocaust oneindig veel schakels met het heden. Het behoeft geen lang betoog om aannemelijk te maken dat persoonlijk leed en machteloze woede belangrijke drijfveren zijn geweest om boeken over dit onderwerp te schrijven en te lezen. Des te opmerkelijker is dan ook dat naarmate de generatie van ooggetuigen uitsterft, de stroom boeken over de jodenvervolging eerder toe- dan afneemt. De reden daarvoor is het knagende besef dat de Catastrofe ondanks alle pogingen tot verklaring een raadsel is gebleven. Zowel de omvang van de massamoord als het fabrieksmatige karakter ervan is niet te bevatten. Voor de historiografie betekent het dat in de afgelopen veertig jaar in telkens nieuwe studies de kring van degenen die voor de massamoord verantwoordelijk worden gesteld, voortdurend is uitgebreid. Veel slachtoffers: dan ook veel moordenaars, is de enigszins primitieve, maar bij gebrek aan beter gehanteerde stelling.

De oerknal van dit almaar uitdijende universum van schuldigen was natuurlijk het aanklagen van Adolf Hitler en zijn secundanten in de nazi-top. Vervolgens kwamen in de historische literatuur de leiding en het voetvolk van Hitlers terreurmachinerie aan bod, de Gestapo, de Sipo, de SS als geheel en in het bijzonder de Einsatzkommandos, de Polizeibataillone en de kampbewaking. Weer is nu een categorie uniformdragers van het Derde Rijk in staat van beschuldiging gesteld. Een rondreizende tentoonstelling probeert de Duitse burgerij te ontdoen van het volksgeloof als zou de Wehrmacht zich niet aan wreedheden hebben bezondigd.

Deze recente uitbreiding van het aantal (mede-)verantwoordelijken voor de Catastrofe is onderdeel van een dynamisch proces. Vorig jaar verklaarde de Amerikaanse historicus Daniel Goldhagen in zijn boek Hitler's Willing Executioners het Duitse volk als geheel schuldig aan de massamoord op de joden omdat het zou zijn behept met een collectieve jodenhaat. In haar onlangs verschenen boek Om erger te voorkomen opent historica Nanda van der Zee een compleet nieuw strafdossier inzake de jodenvervolging. De beklaagde is de Nederlandse koningin W., die haar steentje tot het deporteren van meer dan honderdduizend joden uit haar land zou hebben bijgedragen door dat land in mei 1940 zonder meer aan Hitler over te laten.

Goldhagen en Van der Zee volgen een spoor dat een jaar of dertig geleden als een aarzelend zijpaadje aftakte van de hoofdweg, maar dat inmiddels de oorspronkelijke route naar het tweede plan heeft geduwd. Eind jaren zestig werd de schuldvraag uitgebreid met het raadsel waarom slechts zo weinigen hebben geprobeerd de misdadigers tegen te werken. Met deze kwestie hangt een reeks andere vragen samen. Waarom zijn er niet meer joden van gaskamer en executiepeloton gered? Waarom lieten andere landen voor de oorlog maar mondjesmaat joodse vluchtelingen uit Duitsland toe? Waarom blokkeerde Engeland de vlucht van joden naar het Britse mandaatgebied Palestina? Waarom ondernamen de geallieerden niets zodra ze wisten dat de Europese joden werden uitgeroeid in vernietigingskampen? Waarom werden de gaskamers van Auschwitz niet gebombardeerd?

Passiviteit

Deze vragen inspireerden in de jaren zeventig en tachtig vooral Amerikaanse en Britse historici tot onderzoek. Hun bevindingen, neergelegd in boeken met veelzeggende titels als The Failure to Rescue van Herbert Druks uit 1977, The Jews Were Expendable: Free World Diplomacy and the Holocaust van Monty N. Penkower uit 1983, The Abandonment of the Jews: America and the Holocaust van David S. Wyman uit 1984 en The Holocaust Conspiracy: An International Policy of Genocide van William Perl uit 1989, waren verpletterend. Ze kwamen erop neer dat de leidende elites van de westerse democratieën voor noch tijdens de oorlog enigerlei neiging hadden getoond voor de joden een poot uit te steken. Het motief voor hun criminele passiviteit moet volgens de auteurs worden gezocht in het antisemitisme van de leiders en hun volkeren. Bezien vanuit dit perspectief zijn de boeken van Goldhagen en Van der Zee geen eye-openers, maar slechts uitwerkingen van hypotheses van anderen.

Door het grote aantal gezaghebbend ogende publikaties over dit thema lijkt het alsof de collectieve medeschuld van alle blanke niet-joden aan de Catastrofe onomstotelijk vaststaat. Dit effect wordt versterkt doordat de tegenspraak die mensen als Goldhagen en Van der Zee oogsten, altijd reactief is. Zeggen dat iets niet zo is, wekt een machtelozere indruk dan een coherente these hoe het dan wel in elkaar zit. Voor het gebrek aan positief geformuleerde stellingen hierover zijn verklaringen denkbaar. Ten eerste vereist een onderzoek naar de juistheid van de 'collectieve-schuld'-hypothese tijdrovende research van de primaire bronnen omdat de bestaande publicaties naar elkaar verwijzen, zoals de Amerikaanse historicus William D. Rubinstein constateert in zijn zojuist verschenen studie The Myth of Rescue. Verder laden sceptici al snel de verdenking op zich het eigen straatje te willen schoonvegen.

Maar de belangrijkste reden zou heel goed kunnen zijn dat meezingen in het Nostra Maxima Culpa-koor zo'n goed gevoel geeft. Als geschiedschrijving doelen in de tegenwoordige tijd moet dienen, is het wel duidelijk welke behoefte de 'collectieve schuld'-hypothese nu vervult. Het is een gebaar aan de joden, zowel de vermoorde als de nog levende. Het is een signaal van menselijkheid, een gunstig rapportcijfer dat de niet-joodse schuldbelijder zichzelf toekent.

Rubinstein wil roet in dit eten gooien. Als Holocaust-kenner heeft hij zich niet eerder geprofileerd, wel als werper van knuppels in hoenderhokken. In 1993 zorgde hij in Engeland voor controverse met zijn boek Capitalism, Culture and Decline in Britain 1750-1990. Daarin veegde hij de vloer aan met de alom aan Britse pub-tafeltjes gehoorde klaagzang dat het land naar de knoppen gaat door het verlies van zijn voorsprong als geïndustrialiseerde natie. Rubinstein betoogde dat Engelands kracht nooit in zijn industrie had gelegen, maar in zijn handel en scheepvaart, en dat de industriële revolutie slechts een kortstondige aberratie is geweest. Van sommige Britse recensenten kreeg de Amerikaan, die inmiddels aan de universiteit van Wales doceert, het etiket van malle anglofiel opgeplakt, maar niemand betwistte hem de verdienste leven in de brouwerij te hebben gebracht. Een aanval op borrelpraat over de verlopen Britse grandeur is echter een speldeprik in vergelijking met de reus die hij nu te lijf gaat.

Emigratie

Rubinstein komt zeer goed beslagen ten ijs. In een lucide stijl houdt hij enige gangbare opvattingen over de 'collectieve schuld' tegen het licht. Dat is in de eerste plaats de stelling dat de vooroorlogse democratieën de deur voor de vervolgde joden op een sadistisch kleine kier hebben gehouden. Onwillekeurig roept de moord op ten minste zes miljoen joden uit heel Europa de gedachte op dat miljoenen van hen in leven waren gebleven als ze tijdig hadden kunnen vluchten. Dat Hitler vastbesloten was letterlijk iedere jood te laten ombrengen, is echter wijsheid achteraf. Voor de oorlog kon bijna niemand dit bevroeden. Rubinstein wijst erop dat tot 1938 alleen de in Duitsland levende joden rechtstreeks gevaar hadden te duchten. In 1933 woonden in het Duitse rijk een half miljoen joden. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 was al ruwweg de helft van dat aantal geëmigreerd.

Rubinstein noemt een hoger percentage, namelijk tweeënzeventig, maar dat is gemeten in relatie tot het aantal joden - honderdveertigduizend - dat nog in het Duitse Rijk binnen de grenzen van 1933 vertoefde toen eind 1941 elke vluchtpoging fysiek onmogelijk was geworden. De omvang van de joodse bevolkingsgroep in Duitsland was niet alleen door emigratie geslonken. Daaraan waren ook demografische ontwikkelingen debet. Zo kenden de Duitse joden sinds het begin van de eeuw een laag geboorte-overschot, dat na 1933 omsloeg in een sterfte-overschot, doordat allereerst de jonge mensen emigreerden. Bovendien waren al voor 1939 duizenden joden als 'subversief element' dan wel als socialist of communist opgepakt en in concentratiekampen omgekomen door mishandeling. Dat is dan nog afgezien van de joden die tijdens en na de Reichskristallnacht van november 1938 op straat waren doodgeknuppeld.

Maar zelfs als we Rubinsteins relatief hoge percentage emigranten aanhouden, zijn het er nog altijd veel te weinig geweest. Onmiskenbaar hebben de democratische landen, waaronder Nederland, barrières opgeworpen tegen de komst van grote aantallen vluchtelingen uit Duitsland. Waarom zijn die barrières niet geslecht toen in 1938 de joden in Duitsland aantoonbaar het water tot de lippen stond? Beelden uit Wenen, waar na de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland joden met hun blote handen de straat moesten schrobben, gingen over de hele wereld. Hetzelfde gebeurde een half jaar later met de geweldsuitbarsting van de Kristallnacht. Waarom schoten de beschaafde landen toen niet te hulp?

Rubinsteins antwoord is verrassend: ze schoten te hulp. Meteen na de Kristallnacht vloog het emigratiecijfer van Duitse joden omhoog, van veertigduizend in 1938 naar het dubbele aantal in 1939. Nog spectaculairder waren de emigratiecijfers van joden uit Oostenrijk. Op het tijdstip van de Anschluss in maart 1938 woonden er in dat land 185.000 joden, op vijftienduizend na allemaal in Wenen. Eind 1939 hadden 120.000 het rijksgebied kunnen verlaten. De cijfers voor Tsjechië zijn eveneens indrukwekkend. In april 1939 werd het nog niet geannexeerde deel van de republiek een Duits 'protectoraat'. In de vier resterende maanden tot het uitbreken van de oorlog wisten 26.000 van de 118.000 Tsjechische joden te vluchten.

Gedurfde hypothese

Aan deze reactie van de joden - al zou het voor velen van hen slechts uitstel van executie blijken te zijn, omdat hun 'veilige haven' even later ook door de nazi's onder de voet werd gelopen - knoopt Rubinstein een gedurfde hypothese vast. Wellicht waren de immigratiebeperkingen van de democratische landen niet de enige oorzaak van het betrekkelijk lage vertrekcijfer van 129.000 joden uit nazi-Duitsland vóór 1938, is zijn stelling. Het is zelfs aannemelijk dat er zo weinig joden emigreerden omdat ze niet weg wilden. Voor het opperen van deze verklaring zal Rubinstein door aanhangers van de 'collectieve-schuld'-hypothese ongetwijfeld worden gevierendeeld.

Als hij gelijk heeft, ziet het er voor bijvoorbeeld Goldhagens geloofwaardigheid somber uit. Want waarom zou een jood willen blijven in een land dat volkomen is doordrenkt van jodenhaat? Dat is onvoorstelbaar. Rubinsteins handicap is dat hij zijn stelling onmogelijk met harde bewijzen kan onderbouwen. Hij citeert geëmigreerde joden die zeggen tot de Kristallnacht te hebben gedacht dat 'het' wel zou overwaaien. Hoewel aan hun woorden niet hoeft te worden getwijfeld, hebben zulke individuele getuigenissen weinig algemene geldigheid.

Het perifere bewijs daarentegen is in Rubinsteins voordeel. Om te beginnen is er een (te) weinig gehanteerd bewijsmiddel, het gezonde verstand. Emigreren was en is voor iedereen een zeer ingrijpende stap, die niet lichtvaardig wordt gezet. De nazi's maakten die stap extra moeilijk door emigranten voor hun vertrek te ontdoen van nagenoeg al hun bezittingen. Daarbij kwam nog dat alle joodse organisaties in Duitsland tot 1938 emigratie ten sterkste ontrieden. Ze beriepen zich op het recht van joden om in Duitsland te wonen omdat het hun vaderland was, het Daseinsrecht. Was de innerlijke motivatie van joodse Duitsers om huis en haard op te geven, de eerste jaren al niet groot, de druk van buiten was ook minder hevig en vooral minder consistent dan wij nu met onze wijsheid achteraf veronderstellen.

Voorstanders van de 'collectieve-schuld'-hypothese plegen een kaarsrechte lijn te zien lopen van Hitlers Machtübernahme naar Auschwitz, Treblinka en Sobibor. In de alledaagse beleving van het individu kronkelde die draad tot 1938 veel meer. De repressie bleef tijdenlang op een constant niveau, groeide wat, nam wat af. Tot 1938 was het voor joden die niet in overheidsdienst waren, nog mogelijk in Duitsland een redelijk normaal bestaan te leiden. Dat er reden was om nog lang te denken dat 'het' wel meeviel, blijkt uit het feit dat van de joden die in 1933 halsoverkop uit Duitsland vertrokken, er in de jaren daarna niet minder dan zestienduizend terugkeerden.

Rubinstein tekent bij dat laatste getal aan dat de 'spijtoptanten' zeker niet verwachtten in Hitler alsnog een geschikte kerel te kunnen zien. De economische wederopleving van Duitsland contrasteerde opvallend met de uitzichtloze crisisellende in de rest van Europa - overigens ook een reden voor de joden om niet te popelen om weg te gaan. Alternatieven buiten Europa waren voor de gemiddelde joodse burger moeilijk voorstelbaar.

Latijns-Amerika lag al helemaal achter de horizon. De Verenigde Staten werden toen nog door heel wat Europeanen gezien als een cultuurloze bende 'avonturiers, gangsters en cowboys', zoals Rubinstein het formuleert, en waar de Depressie net zo huishield als in Europa. Dan was er nog Palestina. Het is juist dat de Engelsen de emigratie naar hun mandaatgebied in het Midden-Oosten streng aan de teugel hielden om de Arabieren niet boos te maken. Maar, zo ontdekte Rubinstein, de Duitse joden wilden er ook helemaal niet heen! Ook na 1933 werd het door de Britten vastgestelde quotum van immigranten uit Duitsland bij lange na niet gehaald. De zionistische beweging in dat land was altijd al zwak geweest, een aanwijzing voor de vergaande integratie van de joden in het pre-Hitleriaanse Duitsland (en mijns inziens een punt in het nadeel van Goldhagens these). Palestina stond bovendien bekend als arm, warm, achterlijk, afgelegen en bevolkt door gevaarlijke jodenhaters.

Blanco visa

Alle redenen om 'het' in Duitsland te blijven aankijken, verdwenen in 1938 als sneeuw voor de zon. En in tegenspraak met de mythe kwam er een reddingsoperatie op gang die haar weerga niet heeft gekend. Hoe meer gebieden heim ins Reich kwamen, hoe meer joden huns ondanks Hitlers onderdaan werden, des te sneller werden ze met tienduizenden tegelijk het land uit geholpen. De Britse consuls in Duitsland verspreidden in 1939 vijftigduizend blanco visa onder iedereen die erom vroeg. Van eind 1938 tot eind 1940 zetten tachtigduizend Duitse joden voet aan wal in Amerika. Als Hitler had gewacht met zijn militaire veroveringen, zou in dit tempo de laatste jood in 1943 uit Duitsland zijn verdwenen. Maar Hitler wachtte niet.

Het uitbreken van de oorlog in september 1939 bracht de massale evacuatie van joden tot stilstand. Ongeveer twintigduizend wisten Hitlers macht nog te ontvluchten, totdat het in 1941 voorgoed was afgelopen. De resterende joden in Duitsland en in bezet gebied waren Hitlers gevangenen geworden; einddoel was hun vernietiging. Eind 1941 drongen de eerste berichten tot Londen en Washington door dat achter de Duitse linies aan het sinds juni bestaande oostfront Einsatzkommandos van de SS systematisch duizenden joden doodschoten. Een jaar later, eind 1942, kwam via Zwitserland bij het American Jewish Congress de vage, maar extreem sinistere boodschap binnen dat in Polen kampen bestonden waar joden in een soort lopende-band-procédé werden uitgeroeid.

Rubinstein heeft onderzocht waarom er vervolgens niets speciaals gebeurde - behalve oorlog voeren tegen het Derde Rijk - om de ongelukkigen te redden. Volgens de 'collectieve-schuld'-hypothese zijn alle prachtige plannen om de massamoord te stoppen, afgewezen. Of ze zijn, voorzien van het predikaat 'wordt uitgevoerd', in een bureaulade geschoven door de als jodenvriend poserende antisemiet Franklin D. Roosevelt, president van de Verenigde Staten. Dat deed hij in volledige overeenstemming met zijn kabinet en met de stilzwijgende goedkeuring van de niet-joodse Amerikanen, die hun afkeer van joden nauwelijks in bedwang konden houden.

In het Amerika van de jaren dertig en veertig was er aan antisemitische uitingen en incidenten geen gebrek, getuige de veelbeluisterde radiopraatjes van de rabiate jodenhater pater Coughlin. Of dat wijst op de geestesgesteldheid van een heel volk, is echter een andere zaak. Zo vestigt Rubinstein de aandacht op de politieke ondergang van de wereldberoemde solovlieger Charles A. Lindbergh in september 1941 als gevolg van een onberaden uitspraak over de joden. De fervente isolationist Lindbergh had toen in een toespraak zijn joodse landgenoten ervan beticht Amerika naar een oorlog met Duitsland te drijven. Van de ene minuut op de andere was zijn carrière voorbij. Hij werd bedolven onder woedende kritiek uit het hele land, en hij sleet de rest van zijn leven als een paria en een martelaar van de ultrarechtse lunatic fringe.

Deze reactie op Lindbergh correspondeert met de uitkomsten van de regelmatig gehouden Gallup-enquêtes naar de opvattingen van de Amerikanen over het wereldgebeuren, in het bijzonder de politiek van nazi-Duitsland. Uit alle antwoorden op vragen hierover blijkt volgens Rubinsteins analyse een overweldigende walging en afwijzing van Hitlers gedragslijn. Vierennegentig procent van alle ondervraagden veroordeelde de Kristallnacht. Op de vraag wie men in geval van een oorlog tussen de Sovjet-Unie en nazi-Duitsland het liefst zag winnen, antwoordde drieëntachtig procent van de respondenten met 'Rusland'. En dat terwijl de Amerikanen als notoire anticommunisten een naam hadden op te houden.

Roosevelt

Evenmin bestaat er aanleiding Roosevelt tot een gecamoufleerde jodenhater te bestempelen. Tijdens een onderhoud met de verontruste leiders van de Amerikaans-joodse organisaties zegde de president onmiddellijk alle medewerking toe aan elk zinnig voorstel om de joden in de kampen te redden. Enkele tientallen hoogleraren verzekerden vervolgens in een petitie alle vertrouwen te hebben dat Roosevelt een middel zou vinden om de joden vrij te krijgen. Een groot aantal joodse en niet-joods comités ging vervolgens echter wel degelijk in 1943 en 1944 reddingsplannen ontwerpen. Rubinstein citeert ze allemaal integraal of heeft ze in een appendix opgenomen om het verwijt te ontlopen dat hij juwelen heeft verdonkeremaand. Opmerkelijk is dat de plannen sterk op elkaar lijken, zowel inhoudelijk als kwalitatief: op één uitzondering na, die zometeen aan de orde komt, bevatten ze monumentale onzin.

Dat was niet omdat de voorstellen technisch onhaalbaar waren of onverantwoorde heldenmoed vereisten. Ze waren simpelweg niet terzake. In vrijwel alle plannen is sprake van het zenden van voedsel naar de joden, het waarschuwen van Hitler dat hij de joden niet mocht kwellen, het opstellen van evacuatieschema's voor de kampen en het regelen van opvang en huisvesting voor de geredde joden. Iedereen ging er blijkbaar van uit dat Hitler de joden in de kampen aan de eerste de beste weldoener zou meegeven als die hem dat vroeg.

Rubinsteins verklaring voor deze wereldvreemdheid is dat men in Amerika het verschil niet zag tussen de vooroorlogse vluchtelingen en het feit dat de joden sinds 1941 in bezet Europa de gevangenen van de nazi's waren, en wel om een heel bepaalde reden. Dat de Führer de verdelging van alle joden op aarde tot zijn missie in het leven had uitgeroepen, wilde er bij de brave 'redders' niet in. Zij verkeerden in de veronderstelling dat Hitler met een hoop joodse vluchtelingen op gespannen voet stond, omdat hij vond dat ze teveel aten; dat hij niet wist waar hij ze moest laten en dat hij ze daarom in vredesnaam maar opstookte in zijn crematoria. In deze gedachtengang zou de Duitse dictator al geholpen zijn met een betere suggestie waar hij de joden kon laten.

Juist omdat de zogeheten reddingsplannen het papier niet waard waren waarop ze werden gepubliceerd, staat Rubinstein uitvoerig stil bij de ene suggestie die misschien wèl een zekere praktische waarde zou hebben gehad. Dat is de in 1944 voor het eerste geuite aansporing de gaskamers van Auschwitz kapot te bombarderen. Vóór dat jaar zou dit voorstel geen enkele reële betekenis hebben gehad omdat Opper-Silezië buiten het bereik van de geallieerde vliegtuigen lag. Eind 1943 kregen de geallieerden evenwel een Italiaans vliegveld in handen vanwaaraf de actie theoretisch mogelijk was.

Rubinstein heeft zich zeer in dit onderwerp verdiept. Hij heeft er ook talloze lezingen over gehouden omdat het 'bombardeer Auschwitz'-thema een hoge symboolwaarde heeft gekregen. Desondanks - of juist daarom - is dit het minst geslaagde hoofdstuk in zijn verder uitmuntende boek. De overvloed aan redenen die de auteur aanvoert waarom de gaskamers nooit zijn gebombardeerd, is verwarrend. Hoofd- en bijzaken lopen door elkaar, de techniek van de foto-interpretatie wordt tegelijk behandeld met de vraag wat de geallieerden wanneer exact wisten over Auschwitz.

Vermoedelijk is de chaos in zijn betoog te herleiden tot de vondst in 1978 door twee fotohistorici van een rol negatieven van luchtfoto's van het vernietigingskamp Zij bliezen de alsnog afgedrukte beelden met de modernste technieken op. Zo ontdekten ze details die dermate gruwelijk waren - zoals de al genoemde rijen voor de gaskamers - dat het uitblijven van actie door de Britten en Amerikanen van dat moment af alleen boosaardige opzet kon zijn. Dit temeer omdat de geallieerden wel de bij het kamp gelegen fabrieken van synthetische benzine bombardeerdeen.

Uitvergroting

Rubinstein geeft zich veel moeite de lezer ervan te overtuigen dat de toenmalige uitvergrotingsprocédés lang niet zo verfijnd waren als tegenwoordig. Bovendien zouden militaire fotoanalisten de gaskamers toch niet hebben herkend omdat ze niet wisten hoe die eruit zagen. Verderop echter komt hij ineens met een verklaring die veel meer hout snijdt.

Voor het uitschakelen van de gaskamers was een precisiebombardement nodig. De geallieerden beschikten over enkele squadrons jachtbommenwerpers van het type De Havilland Mosquito die waren gespecialiseerd in zulke precisiemissies. Al moet het begrip 'precisie' met een korrel zout worden genomen. Bij een Mosquitoaanval op de gevangenis van Amiens bijvoorbeeld, ondernomen om verzetsstrijders te bevrijden, kwamen honderd van hen om het leven door een onnauwkeurige treffer. Afgezien van het risico dat de lichte en laagvliegende Mosquito's liepen bij een lange-afstandsvlucht van Italië naar Auschwitz en terug, konden ze in Engeland niet worden gemist. Immers, de voorbereidingen voor de invasie waren in volle gang. Overplaatsing naar Italië van deze toestellen moest onvermijdelijk tot gevolg hebben dat er in Normandië meer geallieerde soldaten zouden sneuvelenDat betekende dat een aanval op de gaskamers zou moeten worden uitgevoerd met de robuuste, hoogvliegende B17-bommenwerpers van de Amerikaanse luchtmacht. Maar voor deze missie hadden ze het nadeel dat ze alleen bommentapijten konden leggen. Het bombarderen van een uitgestrekt fabriekscomplex als dat bij Auschwitz was iets volkomen anders dan het raken van één bepaald object. Bij het bombarderen van de gaskamers was het vrijwel zeker dat er een onbekend aantal bommen op de woonbarakken van de gevangenen terecht zou komen. Honderden, misschien wel duizenden van hen zouden kunnen sterven of fataal gewond raken.

In het licht van de dood die de gevangenen toch hoogstwaarschijnlijk te wachten stond, zou men dit risico als aanvaardbaar hebben kunnen beschouwen. Dit cynisme ging met name de joodse organisaties die het plan aanvankelijk hadden gesteund, te ver. Zowel de leiders van de Jewish Agency als van het World Jewish Congress oefenden grote druk uit op de geallieerden om het plan te laten varen, ook al wegens de propagandistische munt die de Duitsers konden slaan uit een door geallieerden aangericht bloedbad onder de joden. Dit gaf de doorslag. Rubinstein voegt er aan toe dat als de aanval op de gaskamers inderdaad geheel of gedeeltelijk was mislukt, zij die nu het hevigst verontwaardigd zijn over het uitblijven van het bombardement, ongetwijfeld de scherpste critici van de geallieerden waren geweest.

Rubinstein heeft een belangrijk boek geschreven. Als het historische debat over dit zo emotioneel beladen onderwerp nog iets voorstelt, zal The Myth of Rescue daarin zeker een rol spelen.