De balanceerkunst rond de Leidse universiteitscollectie

De toekomst van het prentenkabinet van de Leidse universiteit is onzeker, nu het College van Bestuur de mogelijkheid laat onderzoeken de kunstcollectie buiten de universiteit onder te brengen. Hoe onmisbaar is een eigen collectie?

LEIDEN, 20 JUNI. Twee weken geleden heeft het College van Bestuur het Instituut Collectie Nederland (ICN) gevraagd de mogelijkheid te onderzoeken haar in het Prentenkabinet ondergebrachte kunstcollectie geheel of gedeeltelijk buiten de universiteit onder te brengen.

De collectie omvat 13.000 tekeningen, 100.000 prenten en evenzoveel foto's, en is de enige aan een universitaire kunsthistorische opleiding verbonden kunstcollectie in Nederland.

De vraag aan het ICN volgde op de benoeming eerder dit jaar van een commissie om de mogelijkheden van een interne verhuizing te onderzoeken. Uit de korte termijn waarop het onderzoek dient te zijn afgerond (half september, inclusief rapportage) en het feit dat het ICN tevens is gevraagd een lijst op te stellen van potentiële overnamekandidaten, blijkt dat het College snel een besluit wil nemen over de toekomst van het Prentenkabinet.

Het Prentenkabinet is gevestigd in een statig 18de-eeuws grachtenpand aan het Rapenburg, een van de mooiste universiteitspanden in Leiden. Op de eerste verdieping is voor de ramen aan de voorzijde een zonwering geïmproviseerd uit platen board om het temperatuurverschil tussen de kamer en de kluis die erop uitkomt enigzins in de hand te houden. Het verzoek om zonwering is nog altijd niet gehonoreerd.

De kluis zelf kent twee verdiepingen. De onderste is voor de tekeningen en prenten die een overzicht bieden van de (voornamelijk) Nederlandse teken- en prentkunst van de 16de tot en met de 19de eeuw. De oudsten, anonieme portrettekeningen op perkament, stammen uit de 15de eeuw. Er ligt werk van Hendrik Goltzius en Bartolomeus Spranger uit de 16de eeuw, van Jacob de Wit en Cornelis Troost uit de 18de, en enkele zeldzame vroege prenten van Rembrandt - een rijk bezit. Volgens deskundigen is de tekeningencollectie zelfs een van de vier belangrijkste in Nederland.

De bovenste laag van de kluis is ingeruimd voor een groot deel van de fotocollectie, een terrein waarop het Prentenkabinet in de jaren vijftig onder prof. H. van de Waal een pioniersrol vervulde. De collectie biedt een gedetailleerd overzicht van anderhalve eeuw Nederlandse fotografiegeschiedenis en maakt Leiden de enige universiteit waar academische studie naar het medium kan worden verricht. Hier liggen de negatieven van onder meer Piet Zwart en Emmy Andriesse, circa 300 afdrukken van G.H. Breitner, de dummies van de boeken van Johan van der Keuken en Ed van der Elsken. Links en rechts staan op de vloer de dozen hoog opgetast: er is tevergeefs gevraagd om uitbreiding van de kluis.

“Het kan zoals het nu gaat, maar het is voor verbetering vatbaar”, zegt Ingeborg Leijerzapf (51), conservator fotografie en waarnemend hoofdconservator van het Prentenkabinet.

Haar woorden zijn tekenend voor de balanceerkunst die het Prentenkabinet zich heeft aangeleerd in de opeenvolgende bezuinigingsrondes in het universitaire onderwijs.

En het eind is nog niet in zicht: in het vorig jaar aangenomen structuurplan is bepaald dat de vakgroep (400 studenten) tot en met 1998 opnieuw moet inleveren en van 23 docenten terug moet gaan naar 17. De universiteit als geheel wil tot 2005 zestig miljoen gulden bezuinigen: de huidige discussie over het Prentenkabinet is ingegeven door de wens van het College het pand aan het Rapenburg te verkopen.

Hoe noodzakelijk is het dat studenten kunstgeschiedenis originele exemplaren van kunstobjecten bestuderen? Hoe onmisbaar is een eigen collectie? Dat zijn enkele van de vragen die het ICN moet beantwoorden. Met harde cijfers moet het Prentenkabinet daarom aantonen welke collectieonderdelen hoe vaak en voor welke doeleinden worden gebruikt.

Dat is een nogal wrange benadering, meent Leijerzapf: “Door de bezuinigingen is de ruimte om daadwerkelijk van de collecties gebruik te maken de laatste jaren wel steeds kleiner geworden”. Al haast ze zich te verklaren dat er ook positieve ontwikkelingen zijn: de collecties worden ingezet bij onderwijsvernieuwing zoals het aanleren van het maken van cd-roms. Enkele studenten informatica ontwikkelen samen met Philips de software voor een nieuw beelden-zoekprogramma waarbij geen gebruik wordt gemaakt van steekwoorden maar van visuele vormen en contrasten.

De afgelopen jaren een conservator prentkunst kwijt en de enige (zelfs in Nederland) full-time docent fotografiegeschiedenis is weggehaald en omgeschoold voor de afdeling kunstnijverheid. Wanneer de assistent-conservator fotografie in september 1998 met pensioen gaat wordt hij niet vervangen, datzelfde geldt over twee jaar voor de huidige hoofdconservator prof. dr. J. Bolten.

Leijerzapf vergelijkt het door het ICN te houden onderzoek dan ook met dat op iemand die na jarenlang honger wordt getoetst op zijn gezondheid. “Nu gaat het om cijfers, maar de kracht ervan is relatief. Hoe meet je het effect van een originele Rembrandt in handen van een eerstejaars student?” Het kan geen toeval zijn, meent ze, dat zoveel voormalige ex-Leidenaren zijn opgeklommen tot toonaangevende posities: Ronald de Leeuw (Rijksmuseum), Rudi Fuchs (Stedelijk Museum Amsterdam), Frits Duparc (Mauritshuis, Den Haag).

Uiteraard, zegt ze, hoeft het afstoten van de collecties niet per se te betekenen dat ze ontoegankelijk worden voor onderwijs en studie - dat is een kwestie van afspraken. Maar de drempel zal ongetwijfeld hoger worden: “Geen museumconservator zal juichend de student verwelkomen die even wil grasduinen tussen de Rembrandts of de Breitners.”

Het bestuur van de vakgroep kunstgeschiedenis heeft zich inmiddels uitgesproken voor behoud van het Prentenkabinet in haar huidige vorm, al wijst ze verhuizing niet op voorhand af.

Alleen de eveneens tot de collectie behorende verzameling penningen mag wat haar betreft worden afgestoten: de conservator die ze voorheen beheerde is immers toch al vertrokken.