CBS registreert opmerkelijke daling van Nederlandse jeugdwerkloosheid; Realiteitszin drukt salaris jonge werknemer

ROTTERDAM, 20 JUNI. Wat maakt Nederlandse jongeren zo gewild op de arbeidsmarkt? Terwijl in andere Europese staten, zoals Frankrijk en Spanje, de straten gevuld zijn met grote groepen doelloos rondhangende jongeren, slaat de jeugd in Nederland massaal aan het werk.

In amper een jaar tijd is de jeugdwerkloosheid in Nederland met een derde gedaald, tot 5,6 procent, zo maakt het Centraal Bureau voor de Statistiek deze week bekend. Ter vergelijking: in Frankrijk wacht een kwart van de jongeren thuis op een baan, en in Spanje zoekt bijna één op de twee jongeren vergeefs naar werk.

De snelle daling van de werkloosheid onder Nederlandse jongeren is “opmerkelijk”, aldus het CBS. Niet zozeer de daling als wel tempo en omvang verbazen de onderzoekers. “Het is bij jongeren eigenlijk altijd zo dat de werkloosheid onder deze groep relatief snel daalt als de economie het goed doet. Omgekeerd, als de economische situatie verslechtert, stijgt de werkloosheid onder jongeren weer snel. Die conjunctuurgevoeligheid is logisch, omdat er ieder jaar nieuwe jongeren op de arbeidsmarkt komen”, aldus J. Hesemans van het CBS. “Maar zo'n snelle daling als nu, dat zien we toch niet vaak.”

Een verklaring durven ze bij het CBS nog niet te geven: “Dan zouden we daar specifiek onderzoek naar moeten doen.”

Jongeren en arbeidsmarkt leven altijd in een wat gespannen verhouding met elkaar. Hoewel in discussies over bijvoorbeeld ouderenbeleid steeds de suggestie wordt gewekt dat de jonge werknemer het ideaalbeeld is, blijkt het voor diezelfde jongere toch heel moeilijk om een plek in de organisatie te verwerven. Zeker als het economisch tij langdurig tegenzit komen jonge baanzoekers nergens aan de slag.

Om die reden is begin jaren tachtig in Nederland vrijwel overal de VUT ingevoerd. Al snel bleek echter de economische mineurstemming dusdanig dat van die ruil van jongeren voor ouderen in de praktijk weinig terechtkwam. Veel jongeren bleven aan de kant staan, terwijl na hen alweer nieuwe generaties schoolverlaters stonden te trappelen voor een baan.

Van die sombere ervaringen heeft de Nederlandse jeugd van nu het nodige opgestoken. Niet alleen blijft ze steeds langer op school, ze laat zich bij de keuze voor een opleiding ook in toenemende mate leiden door het perspectief op een baan.

Werden in de jaren zeventig en begin jaren tachtig de universiteiten en hogescholen nog bevolkt door filosofen in spé, aankomende historici en cultureel antropologen, tegenwoordig kiezen jongeren voor een opleiding tot marketing specialist, automatiseerder, advocaat of personeelsmanager. Ook op lagere en middelbare beroepsopleidingen wordt veel aandacht besteed aan de beste manier om aan een baan te komen: sollicitatiecursussen, vacaturebanken en banenmarkten zijn tegenwoordig in het hele onderwijs schering en inslag.

Jongeren beseffen dat ze heel wat moeten doen om een baan te krijgen èn om die baan vervolgens te houden. Opgegroeid in de jaren tachtig hebben ze de ene na de andere reorganisatie voorbij zien trekken; er is geen familie in Nederland waar de opeenvolgende economische recessies geen slachtoffers hebben gemaakt. Een baan voor het leven bestaat niet meer, zo weten de jongeren, het is mooi als de werkgever een dienstverband voor onbepaalde tijd aanbiedt, maar als hij je vervolgens kwijt wil, dan lukt dat toch wel. Neerkijken op uitzendwerk of een tijdelijk contract durft niemand zich meer te permitteren.

Die nieuwe realiteitszin heeft ook gevolgen voor de lonen die jongeren vragen. Een werkgever die veel extra scholing biedt vergroot de kansen van zijn personeel op de arbeidsmarkt en is dus aantrekkelijker dan een baas die alleen met een hoog salaris schermt.

Uit een recente enquête van adviesbureau Berenschot onder informatici - een beroepsgroep waar de schaarste al behoorlijk heeft toegeslagen - blijkt dat het gemiddelde salarisniveau in deze branche is gedaald. Verklaring volgens de onderzoekers: de grote instroom van relatief laagbetaalde jongeren.

Er is nog een tweede verklaring denkbaar voor de dalende jeugdwerkloosheid. Al sinds de jaren zeventig worden met de regelmaat van de klok doemscenario's gepubliceerd over de vergrijzing van Nederland. Er komen steeds meer ouderen terwijl het aantal jongeren gaat afnemen (ontgroening), zo luiden de voorspellingen. Dat leidt vanzelf tot zwaardere lasten op de schouders van de werkenden, terwijl het gebrek aan arbeidskrachten bovendien forse looneisen kan opleveren. Hoge inflatiecijfers en andere rampspoed liggen dan al snel op de loer.

Die vergrijzingsscenario's spelen zich altijd af in de 21-e eeuw, een tijdperk dat tot nu toe altijd geruststellend ver weg leek. Wellicht is de snelle daling van de werkloosheid onder jongeren een duidelijke voorbode van de milleniumwisseling en kunnen jongeren zichzelf binnenkort een schaars goed noemen.