Brieven van een onbuigzaam criticus

Conrad Busken Huet: Een vastgeraakte lokomotief. Een portret in brieven. Uitgekozen en van aantekeningen voorzien door Olf Praamstra. L.J. Veen, 318 blz. ƒ 39,90

Dat de zuurste criticus van Nederland aardige, zelfs hartelijke brieven kon schrijven, zal slechts aan weinig mensen bekend zijn. De naam van Conrad Busken Huet staat voor een standaard in de letterkundige kritiek. Hij was de eerste criticus in Nederland die leefde van de pen. Stelselmatig vergeleek hij de Nederlandse literatuur met die in het buitenland en die van het verleden en keer op keer trok hij conclusies over het te lage peil. De gemiddelde schrijver uit de vorige eeuw werd liever in het geheel niet beoordeeld, dan door Huets pen. Het was geen venijn of afgunst die Huet tot scherpte aanzetten. Een hoge idealistische opvatting van wat literatuur eigenlijk moest zijn, maakte hem tot de gevreesde scherpslijper.

Bijna twaalfhonderd brieven van Conrad Busken Huet zijn er overgeleverd. Alleen de brieven aan Potgieter zijn volledig in druk verschenen in een editie uit 1972. Verder is er een tweedelige uitgave uit 1890 die zijn vrouw en zoon gemaakt hebben na het overlijden en die ongetwijfeld gecensureerd zal zijn op roddels en beledigingen. Nu is er een nieuwe uitgave verschenen met een selectie uit brieven die met zijn persoonlijke leven te maken hebben. Het is een aantrekkelijk uitgegeven bloemlezing, voorzien van een gedegen inleiding en van annotaties die precies op de zaak toegesneden zijn. Bezorger is Olf Praamstra, die in 1991 promoveerde op Huets kritische opvattingen. Praamstra presenteert een veel mildere, en vooral ook veel meer meelijwekkende Busken Huet dan wij tot nu toe kenden.

Huets leven lijkt een aaneenschakeling van pech en verkeerde keuzes. Alleen voor zijn huwelijk gaat dit niet op, want ofschoon het een onaanzienlijk musje is dat ons vanaf de foto's aankijkt, was zijn vrouw in werkelijkheid een intelligente en constante steun voor hem. Maar de eerste verkeerde keuze begon al bij zijn studie. Theologie, terwijl uit de brieven blijkt dat hij alleen maar letteren wilde studeren. Vanwege een relletje waarbij hij alleen toeschouwer zou zijn geweest, werd hij niet toegelaten tot de examens, zodat een deftig oom van hem moest ingrijpen. Toen hij dan toch dominee werd, propagandeerde hij de moderne richting, maar desalniettemin legde hij zijn ambt na enige jaren neer. Daarna koos hij voor de journalistiek en verbond zich aan de Oprechte Haarlemsche Courant, maar die zou te afmattend voor hem blijken te zijn en zijn zelfstandigheid aantasten. Bij De Gids kreeg hij ruzie door zijn onbuigzame kritieken, zodat hij ook die aantrekkelijke en goedbetaalde publicatiemogelijkheid verloor. Om vrijer te kunnen schrijven nam hij het besluit in Nederlands-Indië de Java Bode te gaan leiden. Voor de overtocht had hij geen geld, en daarom aanvaardde hij een opdracht van de conservatieve regering om de Indische liberale pers te controleren. Hij verloor daardoor alle geloofwaardigheid in Nederland. In Indië klaagde hij over het gebrek aan cultuur.Toen Busken Huet na enige tijd zelfstandig zijn eigen krant (Algemeen Dagblad van Nederlandsch Indië) opzette en plannen maakte om terug te keren naar Nederland, overleed Potgieter, zijn enige goede vriend door alle jaren heen. Hij keerde wel terug naar Europa, maar vestigde zich te Parijs, waar hij zich blauw schreef om de hoge kosten voor de studie van zijn zoon en het leven daar te bestrijden. Hij had een speciaal kopieerpersje om tegelijk kopij voor de Nederlandse en de Indische bladen te kunnen vervaardigen. In 1886 overleed hij, aan zijn schrijftafel, boven een stuk dat door zijn weduwe aan De nieuwe gids werd afgestaan.

Huets brieven aan verschillende vrienden en familieleden tonen zijn getob met het leven en zijn onvrede over het bestaan. Hij hield van Nederland, schreef hij, maar telkens wanneer hij het terugzag, kreeg hij de indruk van een land gelegen aan de kust van de Dode Zee, waar de vogels niet overheen konden vliegen zonder te sterven. Het leven in Holland leek hem te vergelijken met dat van een gekooide witte muis in een loopmolentje. Zijn vrouw en zoon verweten hem echter een onverbeterlijke Hollander te zijn die in Parijs altijd met zijn neus in de Hollandse boeken zat en er een eer in stelde zich zelfs in het dagelijks leven uit te drukken met de nauwkeurigheid van een schoolmeester aan een Hollandse HBS. Hij klaagde erover dat zijn vrienden zich niet realiseerden dat hij intellectueel te gronde ging door het tijdrovende en zieldodende werk voor de krant. Tegelijkertijd wist hij dat hij leed aan een 'ongeneeslijke ingetrokkenheid', die het handhaven van vriendschappen bemoeilijkte. Er is geen afbeelding van hem of hij staart nors en ontoegankelijk de lens in. Zo'n foto stuurde hij aan zijn aanstaande vrouw met de tekst: 'Bozer gezicht heb ik van mijn leven niet gezien. Ik twijfel waarlijk of je de moed zult hebben zo'n kwaadaardige tronie, in overeenstemming met een paar zo strijdhaftig gebalde vuisten, dag aan dag onder de ogen te hebben.'

In een van zijn brieven vergeleek Huet zichzelf met een locomotief die in het zand naast de rails vastgeraakt was en vergeefs probeerde op gang te komen, terwijl hij wist dat hij het vermogen had een hele trein voort te trekken. Praamstra gebruikt deze vergelijking als titel voor zijn boek. Huet mag zich misschien wel gevoeld hebben als een vastgeraakte locomotief, maar het valt toch niet te ontkennen dat hij in zijn kritieken de trein wel degelijk voortgetrokken heeft, tot in deze tijd. Er is geen criticus van niveau die niet van hem geleerd heeft, er is geen literair historicus die zijn essays niet af en toe raadpleegt. Dat de grimmige fakkeldrager met zijn talent om vijanden te maken een menselijker gezicht heeft gekregen, is de verdienste van het boek van Praamstra.