Aan de grond op de asberg

Wolfgang Hilbig: De mare van de bomen. Vertaald door Gerrit Bussink. Goossens-Manteau, 110 blz. ƒ 29,50

Een gigantische vuilnisbelt vormt het decor in Wolfgang Hilbigs boek De mare van de bomen. Dikke lagen as, zo lezen wij, bedekken het landschap en het vuil rukt op richting stad, het heeft reeds de velden bedolven en een deel van het bos. De kersenbomen die eens de landweg omzoomden bloeien niet meer: 'Als kreupele monsters stonden ze in een rij; er school iets boosaardigs in die gedaanten [-].'

Waller, de ik-verteller, wordt als een magneet naar deze plaats des onheils getrokken en het fanatisme waarmee hij daar de onttakeling volgt heeft eveneens iets boosaardigs. Het is alsof hij bevestigd wil zien wat hij allang wist: dat zijn land op een ramp afstevent. Heimelijk doet hem dat goed omdat het zijn persoonlijke falen rechtvaardigt, zijn falen in de DDR, waarin ook Wolfgang Hilbig leven moest. Hij was jarenlang fabrieksarbeider en zijn hoofdpersoon is naar hem gemodelleerd: Waller haat de fabriek, spijbelt steeds vaker en verschijnt tenslotte helemaal niet meer op z'n werk. In plaats daarvan installeert hij zich in een boom en slijt hij zijn dagen met het observeren van de vuilnisbelt.

Stof wil hij verzamelen voor een roman die maar niet van de grond komt: slechts één zin krijgt hij op het papier. Waarom hij vastloopt met schrijven, daar geeft de echte schrijver geen duidelijk antwoord op. Heeft Hilbigs held het soms te druk met zijn metamorfose van brave borst tot schooier? De enkele keer dat hij zich nog in de stad waagt ziet hij er afschrikwekkend uit; de as heeft zich in zijn poriën en in zijn haren genesteld en hij vermoedt dat de politie achter hem aan zit. Als ongewenst element, als wrak, als invalide maakt hij tenminste een kans het land uit te worden gezet.

Dat zou geweldig zijn want op eigen houtje de grens oversteken gaat niet: het verhaal speelt zich af in de maanden kort na de bouw van de Muur. Toch heeft Waller zo zijn twijfels over het nut van een gedwongen vertrek. Ook aan de andere kant van de muur, beseft hij vagelijk, doet de Vooruitgang haar verwoestende werk. Ook daar zal men proberen hem als medeplichtige, als loonslaaf in te lijven. Wanneer het leven je lief is kun je je maar beter radicaal aan het produktieproces onttrekken, vindt hij, dan kun je je maar beter in een boom verstoppen.

Hilbigs vertellers bevinden zich altijd op plekken met een ongebruikelijk uitzicht op de buitenwereld. De kerel in De wijven bekijkt die wereld vanuit een fabriekskelder met als plafond een rooster waardoorheen hij de zwetende lijven van de arbeidsters ziet. En de Ik in Ich verdwijnt spoorloos in de catacomben van de stad. Hun blikvernauwing leidt tot visionaire kwaliteiten, want de geschiedenis heeft hen gelijk gegeven. De DDR ìs te gronde gegaan en de verwoesting van het milieu bleek inderdaad met geen pen te beschrijven.

De mare van de bomen verscheen in 1994, maar een ondergangsstemming heerst ook in Hilbigs werk van vóór de Val van de Muur. Al zijn literaire alter ego's komen in conflict met de staat, niet openlijk weliswaar maar heel diep vanbinnen. Ze komen dus in conflict met zichzelf, hun haat groeit uit tot zelfhaat. En dan, op een slechte dag, besluiten ze af te nokken. De outcast Waller voelt zich verbonden met de andere outcasts op de vuilnisbelt, al gedragen die zich nog zo vijandig. Gnoompjes zijn het die zwijgend in het vuil rondwroeten.

Op den duur gaat Hilbigs parabel vervelen, vooral daar waar de gemankeerde schrijver Waller bij het gelamenteer over de onmogelijkheden van het vertellen in herhalingen vervalt. Maar op zijn beste momenten heeft dit proza, ook in de zangerige vertaling van Gerrit Bussink, een hallucinerend effect.