William Hague; John Major, deel twee

LONDEN, 19 JUNI. Het 36-jarige wonderkind William Jefferson Hague heeft bijna alles mee om vanavond als leider van de Britse Conservatieven te worden gekozen. Hij is jong, briljant, aardig en een goede spreker. Als handicap heeft hij alleen dat hij veel Conservatieven voortdurend aan John Major doet denken. Ze noemen hem 'Hague the Vague' en 'Mr Nice Guy', of nog erger: 'John Major, deel twee'.

De overeenkomsten tussen de twee politici zijn treffend. Beiden worden ze door vriend en vijand geroemd om hun sociale vaardigheden. Beiden zijn voorkomend en belangstellend en kunnen zich bewegen in elk gezelschap. Toen Hague twee jaar geleden minister van Wales werd, besloot hij het traject van het Pembrokeshire kustpad te lopen om het land te leren kennen, onderweg logerend in bed & breakfast-accommodaties. Ook stelde hij er een eer in om het volkslied van Wales in de landstaal mee te kunnen zingen. Dat zijn gebaren die Major ook zou kunnen hebben bedacht.

De twee politici hebben ook een bliksemcarrière en een vroege belangstelling voor politiek met elkaar gemeen. De 14-jarige Hague verpatste zijn tinnen soldaatjes om een plaat met toespraken van Churchill te kunnen kopen. En op het verlanglijstje voor zijn volgende verjaardag stond het lidmaatschap van de Conservatieve partij bovenaan. In 1976 pleitte hij op het partijcongres als 16-jarige jongen voor rigoureuze terugdringing van de overheid, door Margaret Thatcher met een langdurig handgeklap beloond.

Terwijl Major vervroegd van school ging en in het bankwezen belandde, combineerde Hague het presidentschap van de prestigieuze Oxford Union met een succesvolle studie, alvorens in dienst te treden bij de management consultant-firma Mc Kinsey. In zijn vrije tijd schreef hij speeches voor Conservatieve politici als Keith Joseph, Geoffrey Howe en Leon Brittan. Toen Brittan tot Europees commissaris benoemd werd, stelde Hague zich kandidaat voor diens Lagerhuiszetel. Dat was de laatste keer dat de Conservatieven een tussentijdse verkiezing wonnen. Hague was toen 27 jaar.

Nog geen jaar daarna hielp Hague Major in zijn campagne om leider van de Conservatieve partij te worden. Dat was in 1990. Zijn ijver werd drie jaar later beloond met de promotie tot staatssecretaris voor Sociale Zaken, dezelfde functie waarin Major zijn regeringsloopbaan was begonnen. Binnen een jaar drong hij tot het kabinet door, zoals Major in de jaren tachtig gelukt was. Hague en Major staan beiden bekend als pragmatici die bij voorkeur conflicten vermijden en altijd streven naar het compromis.

Omdat de Conservatieven niet staan te springen Major in te ruilen voor iemand die zijn jongere broer zou kunnen zijn, zag Hague zich tijdens de leiderschapscampagne in toenemende mate gedwongen zich van zijn illustere voorbeeld te distantiëren. Hij beloofde de partij “een nieuw begin” en verklaarde dat onder zijn leiding een eind zou komen aan het geweifel dat het partijbeleid in het recente verleden vaak had gekenmerkt. Om “redenen van financiën en soevereiniteit” keerde hij zich tegen een Britse toetreding tot de Europese monetaire unie. En hij verklaarde dat er voor andersdenkenden in zijn schaduwkabinet geen plaats zou zijn. Maar op veel andere terreinen heeft hij gemeen met Major dat niemand weet waar Hague precies voor staat.