Wilhelmina en Pétain

Op 10 mei 1940 vielen de Duitse troepen Nederland binnen. Op 13 mei vertrokken koningin Wilhelmina en haar ministers naar Londen. Op 15 mei capituleerde de opperbevelhebber, generaal Winkelman. Men kan zich voorstellen dat het Nederlandse volk enigszins ontredderd achterbleef: zonder regering en door de Duitsers bezet.

Men kan zich zelfs voorstellen dat velen zich verkocht en verraden voelden door wat zij als de laffe vlucht van koningin en ministers beschouwden. Men kan zich die gevoelens goed voorstellen, maar een andere kwestie is of het besluit verdedigbaar, ja zelfs in het licht der omstandigheden verstandig was. En wat nog weer iets anders is, is of men achteraf dit besluit als juist of onjuist moet beoordelen.

Er waren verschillende goede argumenten voor het verplaatsen van de regering naar het buitenland en ze zijn al vaak uitvoerig uiteengezet. Ik zal ze hier niet herhalen. Er zijn tegen dit besluit naast morele en politieke ook constitutionele c.q. staatsrechtelijke bezwaren ingebracht. Die zijn niet overtuigend. De Grondwet voorzag niet in deze situatie en het staatsnoodrecht rechtvaardigde het genomen besluit. Er waren dus goede argumenten voor deze beslissing, maar is zij, achteraf gezien, een juiste geweest? De communis opinio onder historici van zeer verschillende signatuur is dat dat zo is. Onlangs echter is een boek verschenen dat die visie bestrijdt. De zetel van de regering had niet buiten Nederland mogen worden gevestigd en de koningin had in Nederland moeten achterblijven. Dan zouden de Duitsers geen juridische grondslag hebben gehad voor het instellen van een burgerlijk bestuur en daarmee zou de bezetting anders en met name voor de joodse bevolkingsgroep beter zijn verlopen. De bezettingsgeschiedenis van landen als België en Denemarken, waar de vorst wel in zijn land achterbleef, zou dit illustreren. Ik zal op de vergelijking met die beide andere landen en vorsten hier niet ingaan - dat hebben anderen al gedaan - maar wellicht is een andere vergelijking interessant, namelijk die met Frankrijk. De Franse troepen boden in 1940 langer weerstand dan de Nederlandse, maar niet heel veel langer. Het was al snel duidelijk dat de zaak er voor hen zeer slecht voor stond. Het Franse leger was overal op de terugtocht en de Franse regering raakte in grote verwarring. Maarschalk Pétain, de held van Verdun, die om het Franse moreel te verhogen op 18 mei 1940, op vierentachtigjarige leeftijd, tot vice-premier was benoemd, ontpopte zich tot de leider van de capitulatie-partij. Op 16 juni trad de Franse premier Paul Reynaud af. Pétain nam zijn plaats in. De volgende dag kondigde hij de Franse overgave aan: 'Il faut cesser le combat'. In de regering zat ook, als onderminister van Defensie, de heel wat jongere en zojuist voor deze gelegenheid tot brigade-generaal gepromoveerde Charles de Gaulle. Deze weigerde de strijd te staken en week uit naar Londen waar hij een alternatieve regering vormde, de Vrije Fransen. Op 18 juni deed hij zijn beroemde oproep aan het Franse volk de strijd voort te zetten. Staatsrechtelijk en constitutioneel gezien was De Gaulle een muiter die zich verzette tegen de wettige regering. Hij werd dan ook bij verstek ter dood veroordeeld. Met maarschalk Pétain liep het anders. Hij werd staatshoofd van dat deel van Frankrijk dat in eerste instantie niet door Duitsland werd bezet en dat als Vichy-Frankrijk bekend zou worden. Zoals De Gaulle het symbool werd van het vrije en strijdende Frankrijk, zo werd Pétain het symbool van defaitisme en collaboratie. Hij werd dan ook op zijn beurt na de oorlog ter dood veroordeeld, maar door De Gaulle gegratieerd. Hij stierf in 1951 als geïnterneerde op het Ile de Yeu.

Pétain had verschillende goede redenen om te capituleren en men kan zich voorstellen dat na de catastrofe de aanwezigheid van een niet bezette, min of meer onafhankelijke Etat français, al was het maar op een deel van het Franse grondgebied, als een soort zegen werd beschouwd. Beter iets dan niets. Na de oorlog is het Vichy-regime scherp bekritiseerd vanwege zijn politiek van collaboratie met de Duitsers, maar het beleid van Pétain is ook verdedigd tijdens het proces dat na de oorlog tegen hem is gevoerd. De verdediging heeft toen betoogd dat er twee vormen van verzet waren geweest, de offensieve en de defensieve, De Gaulle en Pétain, 'het zwaard en het schild'. Pétains politiek van samenwerking zou de Fransen voor erger, voor het lot van de andere bezette gebieden, hebben behoed. Aan deze mythe is al geruime tijd geleden een eind gemaakt. Het is overigens opmerkelijk dat het een Amerikaanse historicus is geweest, Robert Paxton, die hiertoe het voorbeeld heeft gegeven. In een beroemd boek uit 1974, Vichy France. Old Guard and New Order, 1940-1944, geeft hij een scherpe en pijnlijke analyse van het regime van Vichy. Paxton stelt niet alleen de Vichy-politiek als collaboratie aan de kaak, hij velt ook een vernietigend oordeel over haar resultaten. De bedoeling was immers de Fransen zo goed mogelijk te beschermen, ze een beter lot te geven dan de bewoners van de bezette gebieden. Welnu, de collaboratie-politiek was een echec, zowel moreel als materieel. Wat dat laatste betreft, zijn er drie gebieden waaraan Paxton veel aandacht besteedt: de levensstandaard, de dwangarbeid en de jodenvervolging. Paxton betoogt, dat de levensstandaard (hij let hierbij met name op het voedingspakket) in Vichy-Frankrijk niet beter, maar slechter was dan in de rest van West-Europa (en dat in zo'n rijk agrarisch land!). Ook van de andere twee troeven van de schild-theorie laat hij niet veel heel. Frankrijk, zo berekent hij, leverde Duitsland meer dwangarbeiders dan enig ander land. Alleen wat de jodenvervolging betreft, geeft hij toe dat Frankrijk er beter vanaf kwam, maar hij schrijft dit toe aan een aantal speciale factoren (de geografische omstandigheden, de Italiaanse bezettingszone, de gewonnen tijd) en niet aan de verdiensten van de Vichy-regering.

De juridische argumenten om De Gaulle in 1940 ter dood te veroordelen waren misschien nog wel sterker dan om hetzelfde vonnis in 1945 uit te spreken over Pétain. Op zulke momenten zijn juridische en constitutionele argumenten echter van weinig betekenis. In de omstandigheden van 1940-'45 telde maar één ding: de wil tot verzet. Wie die wil bezat en uitdroeg, desnoods tegen beter weten in en vaak tegen het advies van de verstandigen, die was de staatsman die toen nodig was. Dat waren Churchill voor Engeland en De Gaulle voor Frankrijk. Zowel op Churchill als op De Gaulle is in later jaren scherpe kritiek uitgeoefend. Het heeft hun reputatie als oorlogsleiders echter niet wezenlijk geschaad. Koningin Wilhelmina, 'de enige man in de Nederlandse regering', naar Churchills bekende woord, werd door haar vastberaden houding in Londen een bron van inspiratie voor velen. Dat is haar belangrijkste verdienste. Het valt niet goed in te zien dat zij door in Nederland te blijven beter werk had kunnen doen.