Wilhelmina

Wilhelmina was ongetwijfeld een fanatieke aanhangster van het idee dat ze opnieuw Nederland zou regeren en dat de Duitsers zouden moeten vertrekken. Haar denkwereld had echter meer gemeen met Pétain, met de Servische cetniks of met het Roemeense koningshuis dan met de moderne democratie. Van een bijzondere vijandschap tegen het nationaal-socialisme is niets gebleken.

Centraal in haar denken stond een conservatief patriottisch programma van Nederlands herstel. De vernietiging van het nationaal-socialisme speelde daarin geen rol. In het Nederlandse koloniale rijk hadden slechts 10 miljoen van de 80 miljoen inwoners stemrecht en de Nederlandse politieke partijen hadden zeker niet allen een democratische ideologie. Wel hadden de confessionele partijen de democratie aanvaard als 'Vernunft'-democraten, maar hun ideologie had niets van doen met de geestelijke aanvaarding van een pluriforme democratie. De diverse zuilorganisaties hadden een welhaast semi-fascistische structuur en vaak een patriottische en monarchistische ideologie. Ruys de Berenbrouck en Colijn mogen gefunctioneerd hebben in een formele democratie, dit zegt niets over hun ideologische premissen. Die vinden we in de ideologische geschriften van hun diverse zuilen. Abraham Kuyper en Pius X kunnen moeilijk als aanhangers van de democratische rechtsstaat worden omschreven.

Medelijden met de joden veronderstellen bij Wilhelmina is een anachronisme van de post-Auschwitz en post-Zesdaagse-oorlog generatie. In de jaren twintig en dertig pleegden de Europese koloniale machten permanent oorlogsmisdaden in de Derde wereld. Apartheid, etnische zuivering, concentratiekampen en gedwongen sterilisatie waren in de meeste Europese rijken, en zeker ook in Amerika en de USSR de normaalste zaken van de wereld, echter wel afgeschermd door een strenge perscensuur. Waarom nu Wilhelmina meer aandacht zou moeten hebben gehad voor de joden dan voor de bewoners van Atjeh, toch ook haar onderdanen, is op geen enkele rationele wijze te verklaren of te verdedigen.