Politie (1)

In NRC Handelsblad van 13 juni pleit het Tweede-Kamerlid De Graaf (D66) voor meer “democratische” controle op de politie. De noodzaak werd hem ondermeer ingegeven door de kwestie rond de Rotterdamse korpschef Brinkman. De Graaf pleit onder meer voor een regioraad van gemeenteraadsleden die de regionaal korpsbeheerder ter verantwoording moet kunnen roepen.

Dit is een treffend voorbeeld van de politiek-bestuurlijke onkunde die in Den Haag geëtaleerd wordt als het de politie betreft. Men schijnt nog steeds niet te beseffen dat de huidige Politiewet, die dateert van 1993, een legislatieve gatenkaas is. Hiervoor is reeds vaak gewaarschuwd.

Eigenlijk vormt de gehele Politiewet een groot theoretisch gat en de toekomstige praktijk zal uitwijzen dat er nog heel veel gaten gedicht moeten worden. Dit gatendichten zal bepaaldelijk niet bijdragen aan het vertrouwen dat de burger in de rechtshandhaving dient te hebben.

De Graaf stelt nu voor een regioraad op te richten die de korpsbeheerder dient te controleren. Hij vergeet echter dat de korpsbeheerder niet de dienst uitmaakt, maar het regionaal college dat bestaat uit alle burgemeesters in een regio en de hoofdofficier van justitie. Het lijkt mij sterk dat men een (niet gekozen) college ter verantwoording roept. Want moeten, in geval van afkeuring, nu alle burgemeesters opstappen? En wie heeft er zeggenschap over het al dan niet opstappen van burgemeesters? Moet de regioraad aldus de Kroon en gemeenteraden rechts passeren?

Zolang de organisatiestructuur van de politie niet overeenkomt met de drie lagen in het binnenlands bestuur (rijk, provincie en gemeenten), niet past bij de rol die de burgemeester krachtens de Gemeentewet toekomt en de politie ressorteert onder twee ministeries, zullen zich keer op keer problemen zoals nu in Rotterdam voordoen. Het wordt hoog tijd voor een algehele herziening, waarbij het primaat hoort te liggen bij de bestuurslaag die het dichtst bij de burger staat, de gemeente, met aan het hoofd een burgemeester. Zulk een herziening vergt staatsmanschap en verdraagt zich niet met het hedendaagse politieke pragmatisme, om het woord opportunisme maar niet te noemen.