Overzicht van een eeuw vloeken; 'Voetballers vloeken het meest'

De avond voordat de Boekenweek begon, was in Keek op de Week een diep gefrustreerde schrijver te zien. “Godverdegodver”, tierde de scribent, een typetje van Wim de Bie. “Morgen begint de Boekenweek, maar mijn vloekenboek is nog niet klaar. Godverhierendaar, Christusmeziele, Jezusmerante!”

Inmiddels, ruim drie maanden later, is het zover. Vanaf vandaag ligt het boek Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie in de boekwinkels. De auteur is de Leidse hoogleraar P.G.J. van Sterkenburg, directeur van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie in Leiden en auteur van onder meer het woordenboek Hedendaags Nederlands van Van Dale.

Is Van Sterkenburg gefrustreerd dat zijn boek niet tijdens de Boekenweek is verschenen? Het sloot immers op een superieure wijze aan bij het thema. “Ach”, zegt Van Sterkenburg (55), die het item in Keek op de Week indertijd niet heeft gezien, “er is even sprake van geweest om het eerder uit te brengen, maar ik ben er ruim acht jaar mee bezig geweest, dus ik had geen behoefte om me op het laatst te laten opjutten.”

Alleen al voor het nauwkeurig doornemen van de omvangrijke literatuurlijst zal hij heel wat tijd nodig hebben gehad. Overigens gaat het hier voornamelijk om buitenlandse literatuur: de laatste gedegen Nederlandse studie over dit onderwerp verscheen in 1940. Verreweg de meeste tijd ging echter zitten in het veldwerk dat Van Sterkenburg verrichtte. Tussen 1993 en 1996 verstuurde hij vijftien vragenlijsten met gemiddeld dertig vragen, zoals: 'U komt terug op de parkeerplaats en ziet dat uw auto is gestolen. U bent ziedend. Met welke woorden geeft u uiting aan uw woede?' Antwoord van een dame uit Sneek: 'Wel potverdorrie nog aan toe!'

De vragenlijsten werden onder andere via drie dialectcentrales verstuurd. Honderden mensen reageerden, ook uit Vlaanderen. In totaal verwerkte Van Sterkenburg ruim negenduizend antwoorden, een gigantische klus, waarbij hij hulp kreeg van zijn zoon, de informaticus R.P. van Sterkenburg. “Ik heb mijn zoon in die tijd meer horen vloeken dan ooit”, aldus de Leidse hoogleraar. “Vooral als ik weer eens iets verkeerd had gedaan bij het invullen van de database.” Maar uiteindelijk kwam het allemaal goed en kon een indrukwekkende hoeveelheid informatie worden verwerkt.

Het boek bestaat uit twee gedeeltes. Een alfabetisch lexicon van ruim tweehonderd pagina's en een sociologisch getinte inleiding. In aansluiting bij eerdere studies laat Van Sterkenburg zien dat de vloek is ontstaan uit oude eedformules zoals 'God sta mij bij'. Maar hij voegt twee ontstaanselementen toe. “De vloek is ook ontstaan omdat men zich emotioneel wilde ontladen, de maatschappelijke codes bewust wilde doorbreken en zijn omgeving wilde choqueren. Bovendien is een vloek een soort negatief gebed, gericht tegen God die menselijke drama's en andere ellende toelaat.”

Van Sterkenburg volgt de ontwikkeling van de Nederlandse vloek tijdens de Reformatie en de Renaissance, maar de meeste aandacht besteedt hij aan de hedendaagse vloek. “Omdat er ook mensen van negentig hebben gereageerd, geeft mijn materiaal een overzicht van een hele eeuw vloeken”, zegt hij glunderend. Wat hem vooral trof was de cesuur die in de jaren zestig waarneembaar is. Van Sterkenburg: “De religieuze vloek maakt in dat decennium plaats voor de scatologische. Anders gezegd: in plaats van bijvoorbeeld godsakkernondeju, ontstaan er vloeken die verbonden zijn met ziekte, seksualiteit en dergelijke. De verschuivingen zijn soms per generatie haarscherp te zien. Ik heb een onderscheid kunnen maken naar leeftijd, geslacht en gelovig en niet-gelovig. Het materiaal is werkelijk schitterend!”

Van Sterkenburg heeft ook onderzocht waar in Nederland en Vlaanderen het meest gevloekt wordt, en wie het meest vloeken. Zijn conclusies zullen wat dit betreft niet onbesproken blijven. Hij concludeert dat voetballers het meest vloeken, op de voet gevolgd door hoeren. “Dat hoeren het meest vloeken berust op een vooroordeel van de respondenten”, zegt Van Sterkenburg zelfverzekerd. Met betrekking tot voetballers laat hij dit voorbehoud echter varen. Ook hij is ervan overtuigd, net als de respondenten, dat voetballers het meest vloeken. Niet de supporters dus, maar de voetballers zelf. “Ik heb geprobeerd dit nog te controleren door vragenformulieren te bezorgen bij een Leids jeugdelftal. Maar ze hebben er alleen hard om gelachen.”

Het vloekenboek bevat een enorme rijkdom aan gegevens. Van Sterkenburg onderzocht in welke situaties vloeken worden gebruikt, hun frequentie en taboewaarde, regionale verschillen, enzovoort. Tot de meest gebruikte vloeken behoren kut, godverdomme, shit en fuck. De toelichtingen van Van Sterkenburg leveren soms vermakelijk proza op. Zo schrijft hij over kut: 'Het voorkomen van kut in de verwensing krijg de kut! is enigszins verrassend. (-) Als vloek veroorzaakt kut een blikseminslag. De taboewaarde is zeker voor de oudere generatie zeer hoog. Het is vaak een substituut voor de religieuze blasfemie godverdomme. Bij de jeugd heeft het als stopwoord dezelfde betekenis als oeps. (-) Een merkwaardig geval is de samenstelling kutjefuckie.'

Welke vloeken of verwensingen vond Van Sterkenburg zelf het schokkendst? “Een verwensing als Krijg de AIDS, daar schrok ik van. En in het werk van K. Schippers vond ik Krijg een mierennest in je kut. Tsja. Het is onvoorstelbaar hoe vrouwonvriendelijk sommige verwensingen zijn.”

Van Sterkenburg noemt vloeken een vorm van 'woordarmoede'. Anderzijds geeft hij voorbeelden van hun enorme rijkdom. Zoals de verwensing Krijg koperen hartkleppen dan kun je je hele leven blijven poetsen. Of het scheldwoord vermalepoppestrontvreter voor 'zeer orthodoxe christen'.

Heeft Van Sterkenburg door zijn studie meer sympathie gekregen voor de doelstellingen van de Bond tegen het Vloeken? “Je zult mij nooit horen zeggen dat er meer moet worden gevloekt”, zegt hij diplomatiek. “Anderzijds is het een prima manier om je emotioneel te ontladen.”