Kosten studie failliet Bobel voor top zelf

AMSTERDAM, 19 JUNI. De bijna voltallige top van het failliete investeringsmaatschappijtje Bobel, onder wie ex-Boskalis-voorzitter Kraaijeveld van Hemert en oud-staatssecretaris Nooteboom van Financiën, moet de kosten betalen van een deskundigenonderzoek (35.500 gulden) bij Bobel.

Dat heeft de Ondernemingskamer van het Amsterdamse gerechtshof, die gespecialiseerd is in conflicten tussen beleggers en bedrijven, vanochtend gelast.

De procedure is een opmaat om bestuurders en commissarissen individueel aansprakelijk te stellen voor het tekort in de Bobel-boedel en de schade voor beleggers van samen 60 miljoen gulden.

“Dit is een zeer belangwekkende uitspraak”, zei vanochtend curator mr. B. De Roy van Zuidewijn, die de procedure met de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) heeft aangespannen. De uitspraak versterkt hun positie om schadeclaims in te dienen.

Het aan de Amsterdamse effectenbeurs genoteerde Bobel behoorde tot een ondoorzichtig netwerk van bedrijven van de Italiaanse financiële holding Sasea. Bobel ging in 1992 ten onder nadat al het vermogen was uitgeleend aan Sasea. Deze houdstermaatschappij gebruikte dat kapitaal weer voor de financiering van de overname van de Amerikaanse filmstudio MGM, die vervolgens in een financieel moeras verdween.

Het gerechtshof had de voltallige Bobel-top in april al in harde termen (“schromelijk tekort geschoten”) veroordeeld wegens wanbeleid in de periode tussen 1985 en 1992. Het hof kon toen geen rekening houden met het verweer van individuele bestuurders en commissarissen, doordat geen van hen kwam opdagen. Dat gebeurde in deze kostenprocedure wel, maar het verweer van Kraaijeveld van Hemert (commissaris bij Boskalis en Fortis Amev) en Nooteboom (commissaris bij Kondor Wessels) heeft het hof niet kunnen overtuigen.

Het hof noemt het onaanvaardbaar dat Kraaijeveld van Hemert als president-commissaris in 1991 akkoord ging om het gehele bezit van Bobel uit te lenen aan Sasea en een Sasea-dochter, zonder onderzoek naar de financiële gegoedheid van die twee. Zijn uitlating op een aandeelhoudersvergadering dat voor het uitgeleende geld veiligheidsmaatregelen waren ingebouwd met Sasea noemt het hof “in strijd met de waarheid, althans ernstig misleidend”.

Nooteboom, die in 1987 na bijna twee jaar aftrad als president-commissaris, heeft niet voldoende ondernomen om de bestuurlijke structuur en cultuur, waarbij de commissarissen bij belangrijke transacties pas achteraf akkoord konden gaan, te wijzigen. Met name het feit dat Sasea-directeuren zich als commissaris bij Bobel mochten laten vertegenwoordigen door de Bobel-directie neemt het hof Nooteboom kwalijk.

Het hof vindt overigens dat de directeur en de commissarissen die in 1985 aftraden na de verkoop van Bobel aan Sasea buiten de kostenveroordeling moeten blijven.