Kamerdebat over 'suggestief' rapport

De Tweede Kamer debatteert vanmiddag met over het rapport 'Financiële relaties met grote ondernemingen' van de Algemene Rekenkamer. Minister Wijers noemde dit rapport namens het kabinet “suggestief”.

DEN HAAG, 19 JUNI. Onnauwkeurig, onvolledig, feitelijk onjuist, suggestief, eenzijdig. Zo typeerde minister Wijers (Economische Zaken) het vorig jaar gepubliceerde rapport 'Financiële relaties met grote ondernemingen' van de Algemene Rekenkamer. De Rekenkamer velde een vernietigend oordeel over vijf industriële steunrelaties (NedCar, DAF en drie keer Fokker) in de periode 1987-'94.

Om herhaling van het RSV-debacle - begin jaren tachtig probeerde de overheid met miljarden guldens aan staatssteun tevergeefs het scheepsbouwconcern overeind te houden - te voorkomen stelden kabinet en Tweede Kamer regels op voor steun aan noodlijdende ondernemingen. De Rekenkamer onderzocht in hoeverre die regels zijn gevolgd en kwam tot de conclusie dat veel is misgegaan. Niet alleen in de informatievoorziening aan de Tweede Kamer en in de naleving van de EU-richtlijnen voor mededinging, maar bovenal in de samenhang van het Nederlandse industriebeleid.

Economische Zaken pakt de verlening van staatssteun sinds 1987 planmatig aan via de 'clusterbenadering'. Voordat een bedrijf steun krijgt, wordt in kaart gebracht wat de betekenis van het bedrijf is voor de economische structuur. Zo kan het ministerie doelen formuleren over gewenste en verwachte werkgelegenheidseffecten van financiële steun. De Rekenkamer trof in de vijf onderzochte gevallen niets aan dat erop duidde dat clusters in kaart waren gebracht rondom bedrijven waaraan steun was verleend.

In een toelichting op het rapport zei de president van de Rekenkamer, H. Koning, dat Economische Zaken niets heeft geleerd van de RSV-affaire. Het was de eerste keer dat de Rekenkamer grootschalig onderzoek deed naar een niet-overheidsinstelling, een gevolg van de RSV-enquête uit 1984.

D66-minister Wijers en VVD-minister Zalm (Financiën) hebben tot op het allerlaatste moment publicatie van het Rekenkamerrapport proberen tegen te houden. De bewindslieden vreesden dat vertrouwelijke informatie in de openbaarheid zou komen. Uiteindelijk gingen ze akkoord met een geheime bijlage waarin onder meer zou staan hoeveel de steunoperaties hebben gekost.

Resultaat is dat, hoewel het onderzoek over staatssteun gaat, in het rapport slechts één 'gevaarlijk' bedrag wordt genoemd. Het is de vermogensversterking aan Fokker in 1994, via een technolease-constructie. Toen verkocht de vliegtuigbouwer voor 412 miljoen gulden aan technische kennis aan de Rabo-bank. De bank verhuurde deze weer aan Fokker. Volgens de Rekenkamer zou de technolease “de staat een disproportioneel bedrag gaan kosten”, omdat de Rabobank door de constructie minder belasting hoefde te betalen.

Een eerdere technolease, in 1993 tussen Rabo en Philips, heeft de Rekenkamer niet onderzocht. Er is slechts gekeken naar bedrijven “waarmee de Staat meervoudige financiële relaties onderhield”. Uit media-publicaties bleek later dat Philips voor een bedrag van 2,8 miljard gulden aan technlogische kennis verkocht aan de Rabobank. De Rabobank kon de koopsom over tien jaar van de winstbelasting aftrekken, wat een geschat bedrag aan misgelopen belasting van 1,1 miljard gulden opleverde. Bij Fokker ging het om technologische kennis van 2,1 miljard gulden.

De Tweede Kamer drong aan op nader onderzoek over de technolease omdat de indruk was ontstaan dat de Kamer niet volledig zou zijn ingelicht. Een werkgroep uit de Tweede Kamer concludeerde dat oud-staatssecretaris Van Amelsvoort (Financiën) de Kamer niet onjuist heeft geïnformeerd. Hij zou in de periode 1993-1994 onvoldoende politieke leiding hebben gegeven aan zijn ambtelijke dienst in het technolease-dossier. Naast het Rekenkamerrapport debatteert de Kamer vandaag ook over het dossier-technolease.