Kalm Kamerdebat over Eurotop; 'Mager resultaat niet aan Nederlandse EU-voorzitter te wijten'

In het Kamerdebat over het Verdrag van Amsterdam toonde een zichtbaar vermoeid driemanschap - Kok, Van Mierlo en Patijn - zich openhartig over de problemen bij de aanloop naar de Eurotop.

DEN HAAG, 19 JUNI. Premier Kok heeft in de nacht van dinsdag op woensdag even overwogen om als voorzitter van de Europese Unie het werk aan het Verdrag van Amsterdam op te schorten.

Dat gebeurde toen twee groepen EU-leden tegenover elkaar waren komen te staan over de vraag of voor de toekomstige bepaling van de stemgewichten in de Europese ministerraad ook de bevolkingsomvang per land maatgevend zou moeten zijn. Tussen de ene groep, waartoe de Britten en Fransen behoorden, en de andere, onder meer België en Italië, leken daarover niet meer op te lossen tegenstellingen te zijn gerezen.

“Toen dacht ik inderdaad: heeft het nog wel zin om door te gaan?”, zei de premier gisteren in een debat in de Tweede Kamer over de resultaten van de Amsterdamse Top. Maar hij had die gedachte verworpen, omdat het hem “niet zinvol leek om voor, zeg twee weken, een time out te vragen”.

Uiteindelijk was het woensdagmorgen vroeg vooral aan een tussenkomst van kanselier Kohl te danken dat er nog een compromis kon worden gevonden.

Dat compromis bepaalt dat de vijf grote EU-leden een van hun twee leden van de Europese Commissie opgeven als in de eerste jaren na de eeuwwisseling een akkoord is bereikt over toetreding van ten minste vijf nieuwe lidstaten. Dit op voorwaarde dat die vijf grote EU-leden daarvoor compensatie krijgen. Alsnog wordt dan - een jaar voordat de EU de grens van twintig leden passeert - een groter stemgewicht voor hen vastgesteld in de Europese ministerraad.

Kok noemde het “heel belangrijk dat dát, deze inspanningsverplichting, is vastgelegd”, al was het compromis ook volgens hem niet de beste oplossing. Maar hij bestreed met minister Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) toch de stelling van CDA-fractieleider De Hoop Scheffer dat het Verdrag van Amsterdam niet voldoet aan de voorwaarde dat het de Unie geschikt moet maken voor uitbreiding, onder meer doordat er nu al bij voorbaat zo'n “hypotheek” rust op de onderhandelingen met kandidaat-leden, die in 1998 beginnen.

Zoals al uit de eerste reacties uit de Tweede Kamer was gebleken, kreeg de regering het niet moeilijk bij de verdediging van het Verdrag van Amsterdam. Omdat zij de inhoud van het Verdrag van Amsterdam nog slechts via de media kenden, beperkten de meeste fractievoorzitters zich in het Kamerdebat tot voorlopige conclusies. Maar zij maakten wel duidelijk dat zij de verantwoordelijkheid voor het alom als 'mager' omschreven resultaat niet bij het Nederlandse EU-voorzitterschap leggen.

Nee, belangentegenstellingen tussen de EU-leden en de tussentijdse politieke veranderingen in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk zijn daaraan eerder debet geweest, vonden onder meer Wallage (PvdA), Wolffensperger (D66) en De Hoop Scheffer. Het Kamerlid Van Middelkoop (GPV), die vond dat 'Amsterdam' weinig heeft toegevoegd aan het Verdrag van Maastricht, ziet nu zelfs “de grenzen van de Europese integratie bereikt”.

Voor VVD-fractieleider Bolkestein gaf het feit dat het Verdrag van Amsterdam is “achtergebleven bij de ambities van het Nederlandse EU-voorzitterschap”, zoals Kok het omschreef, op een aantal punten juist reden voor tevredenheid. Bolkestein stelde vast dat voldaan is aan een reeks ijkpunten die zijn fractie al eerder had aangegeven. Hij was blij dat de integratie van de West-Europese Unie in de EU voorshands van de baan is, het vetorecht op het terrein van de buitenlandse politiek feitelijk blijft bestaan (Van Mierlo erkende dat) en dat Nederland tot nader order een lid in de Europese Commissie en zijn stemgewicht in de EU-ministerraad behoudt.

Verheugd was Bolkestein er ook over dat de democratie in de Unie terrein heeft gewonnen doordat het Europarlement bij wetgeving vaker recht van medebeslissing krijgt. Bovendien is in principe openbaarheid van Europese documenten en besluiten afgesproken.

Het protocol over een Europees gecoördineerd werkgelegenheidsbeleid waardeerde hij alleen omdat het nieuwe, Franse linkse kabinet daardoor akkoord ging met het Stabiliteitspact voor de muntunie. Overigens typeerde Bolkestein dat protocol als een van die “loze teksten” die “het gevaar van Eurocynisme” kunnen meebrengen.

Volgens Bolkestein, die de Franse premier Jospin “een nieuwe Keynes aan de Seine” noemde, heeft het nieuwe Franse kabinet opvattingen die het werkloosheidsprobleem verergeren. “Nee, dat is geen chauvinisme maar realisme”, antwoordde Bolkestein op een kritische interruptie van Wolffensperger (D'66). Premier Kok daarna: “Ik beschouw mezelf maar als trait d'union tussen Jospin en Bolkestein.”

Kok, Van Mierlo en staatssecretaris Patijn (Buitenlandse Zaken), die een half etmaal na de finale van de EU-Top nog zichtbaar vermoeid waren, deden in het doorgaans zeer kalme Kamerdebat openhartig verslag van de problemen die zij het afgelopen half jaar op hun bord hadden gekregen. Zonder omwegen verhaalde Kok bijvoorbeeld dat, en waarom, het Nederlandse EU-voorzitterschap een kleine vier weken geleden op de informele Top in Noordwijk niet had willen ingaan op een suggestie van kanselier Kohl en president Chirac om een groot deel van de geplande institutionele hervormingen voorlopig maar uit te stellen. Hoewel het over dat punt in de nacht van dinsdag op woensdag jongstleden juist bijna tot een crisis kwam, bleef Kok erbij dat de Nederlandse regering in Noordwijk met haar ambitieuzere voorstellen toch een juiste keus had gemaakt. Want anders, zei hij, zou “een onmogelijke last zijn doorgeschoven naar de toekomst”. Bovendien zou dan het woensdagmorgen gevonden compromis zelfs niet zijn bereikt, zei hij.