In Liefde Bloeyende

Hans Warren (geb. 1921)

Een avondje bij kardinaal Del Monte

(To the Italians it is) 'a pleasant pastime

making songs, and singing Sonets of the beauty

and pleasure of their Bardassi, or buggerd boyes'.

William Lithgrow: 'Rare Adventures and Painefull

Peregrinations', 1632.

De hoerenjongens van Caravaggio

maken muziek; ze kijken geil en

laten hun kleren, zó los te strikken

langs mollige schouders en knieën glijden.

De bardassi vormen een fraai stilleven

van de vijf zintuigen, vleugje vanitas

naast fluit en flonkerende rozen

waarin soms een hagedisje schuilt

een hagedisje dat bijten kan.

Zij hebben altijd, als invitatie

een viool klaar liggen en een strijkstok

voor wie met hun het lied wil spelen

en ook al houden ze hun weke monden

quasi verlangend en vochtig open

ze zijn koud, berekenend en vol wrok.

Als een dichter over het werk van een schilder schrijft vertelt hij iets over de schilder en vertelt hij iets over zichzelf. Dat lijkt een waarheid als een koe, maar 't kan geen kwaad zich zulke simpele stellingen af en toe duidelijk te realiseren. Vaak komt het in een gedicht over een schilderij immers op weinig méér neer dan een solidariteitsverklaring: zie, zo denk ik er ook over. Zie, een verwante ziel. Zie, de Aha-Erlebnis in mij.

Zulke gedichten komen niet boven het niveau van stuntjes uit. De lezer wordt geacht verbaasd te staan over het aha! waartoe de dichter in staat bleek en, vooral, over het feit dat schilder en schilderij zo wonderbaarlijk wisten vooruit te lopen op het inzicht van de dichter. 't Zijn meestal de beste gedichten niet.

Vanzelfsprekend maakt de dichter in een beeldgedicht iets over de schilder duidelijk. Iets van een herkenning moet er eerst zijn. Maar het spreekt al even vanzelf, in een goed gedicht, dat de dichter niet de schilder aan het uitleggen is wanneer hij iets van zichzelf blootlegt. De ware bedoeling van de schilder zal hem op dat moment een zorg zijn.

In de aanvankelijke herkenning schuilt iets van zijn persoonlijke obsessie en in zijn obsessie begint de vervreemding van het uitgangspunt. Een goed beeldgedicht is tegelijkertijd ontmoeting en afscheid.

In het gedicht van Hans Warren over de bardassi-schilderijen van Caravaggio - Bacchus, De fruitverkoper, Concert, De luitspeler - zien we dit spel tussen wat samenvalt en wat scheidt aan het werk. De herkenning ligt uiteraard in de homo-erotiek. Het type bardassi, of hoerenjongens, bij Caravaggio moest Warren wel aanspreken: het gaat hier, net als in zijn poëzie, om de schemerjongens, de weifeljongens - weifelend tussen jeugd en putrefactie, tussen onschuld en raffinement, tussen man en vrouw, tussen zintuiglijke dronkenschap en verval of, zoals het bij Warren zelf heet: tussen hybris en vergaan.

Van een afscheid van de schilder, een ontrouw aan het beeld, een inslaan van eigen weg is pas in de laatste regel sprake - ze zijn koud, berekenend en vol wrok - maar die regel komt des te heviger aan omdat het juist leek, in de regels daarvoor - Zij hebben altijd, als invitatie, een viool klaar liggen en een strijkstok voor wie met hun het lied wil spelen of de dichter argeloos bezig was met een beschrijving van Caravaggio's schilderijen, een trouwe inventarisatie haast.

't Is een bittere slotregel. Het hele gedicht leek het er op of het niet dat was wat de dichter graag in het werk van de schilder wilde herkennen.

We werden door Warren binnengetoverd bij kardinaal Del Monte, de man die aan Caravaggio opdracht gaf voor het schilderen van de bardassi. 'Een avondje', noemde de dichter het in de titel. Een genoeglijke orgie dus. De strijkstok lokte. Alles streefde naar intimiteiten. Ineens valt daar die slotzin en staan we weer buiten. Het is koud.

Onmacht en afscheid. Warren onderneemt in zijn poëzie dikwijls pogingen de lichamelijke afstand, de kloof te bezweren, of liever gezegd gewoon te negeren - Wees gerust: dit is werkelijk voor jou geschreven - maar de laatste regel van Een avondje bij kardinaal Del Monte stelt niet gerust. Koud, berekenend, vol wrok - het is geen inventarisatie die ruimte voor illusies openlaat.

Of de dichter hier ontrouw is aan de 'ware bedoeling' van Caravaggio laat ik in het midden. In elk geval maakt hij er een mooi gedicht van door ontrouw te lijken aan de schilderijen zoals hij ze aan het interpreteren was. Daar gaat het om. De dichter weet heus wel dat Caravaggio geen naïeve, gelukzalige idioot was. Voor de goede verstaander laat Warren dat merken door een addertje onder het gras: het addertje dat het hagedisje uit de regels acht en negen is. Over de hagedis op Caravaggio's schilderij Jongen, door een hagedis gebeten schrijft Donald Posner in Caravaggio's Homo-Erotic Early Works (The Art Quarterly, 1971, het artikel waaruit ook het motto bij dit gedicht afkomstig is): 'De koudbloedige hagedis geldt in de zestiende-eeuwse kunst als het symbool voor de koelheid in de liefde.' De hagedis, zo heette het, werd als enige van alle dieren nooit verliefd.

De slotregel is het hagedisje van het gedicht, het hagedisje dat bijt.