Het zoeklicht van de media

Gisteren is de Dick Scherpenzeelprijs uitgereikt aan Koert Lindijer, correspondent voor Afrika van deze krant. Die kwalificatie, correspondent voor Afrika, is ernstig bedoeld en nog waar ook. Lindijer wordt geacht heel Afrika te bestrijken, met uitzondering van Zuid-Afrika weliswaar, maar voor de rest is hij journalistieke baas over een heel continent.

Dat zegt veel over de belangstelling voor dat werelddeel, en toch loopt NRC Handelsblad niet achteraan. Veel Europese kranten hebben helemaal geen verslaggever.

Maar de titel zegt ook iets over Lindijer. Iemand die vijftien jaar lang correspondent in Afrika is (en terecht een prijs wint) moet geestelijk en fysiek stevig in elkaar zitten. Veel lezers hebben Afrika afgeschreven als een te donker en chaotisch continent of ze vinden de berichten te gruwelijk om te lezen. Een journalist die er werkt, moet niet alleen bewust kijken, hij moet het daarna ook nog geordend opschrijven.

Dat is geestelijk buitengewoon uitputtend. Als in ons land drie auto's tegen elkaar botsen, komt achter politie en GGD een auto met het traumateam voor stressverwerking. Lindijer heeft in zijn vijftien tropenjaren wel meer gezien dan een hongersnood, en hij heeft er steeds beheerst over gerapporteerd. Zonder nazorg.

Vaak schreef hij emotioneel, soms kwaad en wanhopig, vaak cynisch - maar nooit alleen maar cynisch of alleen maar bewogen. Het verbaast hem nog steeds hoe hij, “een jongen van twee hoog Dapperstraat” in Nairobi terecht is gekomen en daar een fors huis met - tegen zijn zin - een stuk of wat bedienden heeft. Maar de collega uit Londen of Parijs die met hem wil ruilen, moet wel het levensgevaar en de kans op ziekten en berovingen op de koop toe nemen. En ze moeten de instelling van Lindijer zien te krijgen: nuchter, praktisch, het leven nemen zoals het komt.

Bij de uitreiking van de prijs, in Den Haag door minister Pronk, was er ook een journalistenforum. De sprekers kwelden zichzelf weer met vragen die altijd gesteld worden.

Waarom drieduizend journalisten bij een Europese komedie in Amsterdam en maar een paar honderd in Kinshasa? Waarom meer belangstelling voor vijf doden in Alkmaar dan honderdduizend slachtoffers in Congo? Schrijven we niet te positief over Kabila omdat Mobutu zo'n kleptocratisch monster was? Richten we ons niet te veel op bloedbaden en hulporganisaties, ten koste van aandacht voor structurele politieke achtergronden?

Dat was geen Hollands-calvinistisch proeven der nieren, in alle (westerse) landen klinken die vragen en het antwoord is overal even onverstaanbaar.

Oorlog is sexy, zei Lindijer, en dat was niet aangenaam maar wel duidelijk. En, zei het forum, een oorlog gaat nu eenmaal niet volgens een bekend scenario. Niemand, ook de diplomaten en de CIA niet, weet wie Kabali is geworden en wat hij wil. Niemand weet precies wat er in Oost-Congo is gebeurd.

Je zou erbij kunnen zeggen dat nu de wereld zo klein is geworden, pas blijkt hoe groot hij is. Willen de lezers en kijkers wel elke dag weten wat er gebeurt in Ecuador of Tibet, in Pakistan of Kazachstan? Nee, dat kan geen mens bevatten. Daarom werken de media als zoeklichten en er schijnt een wet te zijn dat die stralenbundels meer ellende dan geluk vangen. Het is net als met huwelijken: alle oorlogen zijn verschillend, alle perioden van vrede lijken op elkaar.

De spanning tussen actualiteit en achtergrond is ook te zien in de nieuwe weekbladen. De Eurotop kwam wel heel ongelukkig, want dinsdag sluiten de meeste bladen. HP/De Tijd en Vrij Nederland komen niet verder dan snippers en ongein; in De Groene Amsterdammer constateert Max Arian dat er in Nederland nog nooit een echte discussie over Europa heeft plaatsgevonden. Die spijker is raak. Arian schrijft dat in een hoofdcommentaar. We kennen hoofdartikelen en we kennen commentaren, maar wat is een hoofdcommentaar?