Een eigen ranglijst

Vier voortreffelijke tennissers heb ik uitgekozen. Het zijn Richard Gonzales, Björn Borg, Jimmy Connors en John McEnroe. De volgorde van opkomst is volstrekt willekeurig. Ook op de nominatie van deze heren zou best iets aan te merken zijn, indien het ging om de besten ter wereld ooit. Ik heb bijvoorbeeld Big Bill Tilden nooit zien spelen en Donald Budge evenmin. Maar mijn vier toptennissers ken ik uit eigen waarneming. Wat hieronder volgt, is het resultaat van persoonlijke appreciatie.

Richard ('Pancho') Gonzales, een halve Mexicaan die was geboren in Los Angeles, verscheen in zijn nadagen op Wimbledon en leverde een prestatie waarover tegenwoordig nog wordt gesproken. Het ging om een enkelspel uit 1969, Wimbledons eerste ronde. Het was dinsdagavond, half zeven, toen Pancho Gonzales (41) en de Porto-Ricaan Charlie Pasarell (25) het Centre Court betraden. Ze begonnen aan een partij die 112 games zou duren en die zich over twee speeldagen zou uitstrekken.

Toen Pasarell de eerste set met 24-22 had gewonnen, was het schemerig. Gonzales die zijn benen begon te voelen, ging naar de umpire en zei dat het tijd was om te stoppen, maar in zijn aparte wijsheid liet de man op de stoel nog een volle set spelen. Die verloor Gonzales met 6-1. Ik dacht dat alles voorbij was voor de veteraan, maar er waren rally's geweest die aantoonden dat hij nog steeds hoogbegaafd was.

De volgende dag zaten we opnieuw op de tribune. De nacht had Pancho goedgedaan. Hij knokte zich met ongelooflijke vasthoudendheid door de derde set heen (16-14), won de vierde met 6-3, maar leek geklopt in de vijfde toen hij tweemaal op eigen service op 0-40 kwam te staan. Toch won hij, onder ongelooflijke spanning, met 11-9 in de laatste set. Hij was een fenomeen, maar nauwelijks in staat tot sociale contacten. The lone wolf of tennis. Zijn slagen waren uitzonderlijk goed, zijn touch geweldig, zijn atletische vermogens dominant.

Misschien is het vreemd, maar de partij die mij van John McEnroe het duidelijkst voor ogen staat, is die uit 1984 op het Centre Court van Parijs. McEnroe was al geweldig toen hij 18 was: een natuurtalent, door niemand gevormd, behalve door zichzelf. Een overweldigende persoonlijkheid op de baan die altijd wilde heersen en conflicten liever opzocht dan uit de weg ging. Technisch stond hij op eenzame hoogte. Zijn opslag die moeizaam leek en via weidse armgebaren tot stand kwam, kreeg zoveel spin mee en was vaak zo scherp geplaatst dat die een door anderen gevreesd wapen was.

Titels genoeg, geld en populariteit in overvloed.

Hij eiste van alle betrokkenen foutloze prestaties en hij had de brutaliteit die velen hem, als geboren New-Yorker, sowieso toeschrijven. Niemand kon beter volleren dan McEnroe. Niemand vond intelligentere oplossingen. Hoe rauw zijn gedrag soms ook was, de kwaliteit van zijn tennis maakte heel veel goed.

Toch ging hij onderuit in de finale op Roland Garros in '84, waarin hij twee sets tegen nul voorstond tegen Ivan Lendl. 'Big Mac' dacht dat hij er al was. Zijn volleys verloren aan glans. Ze verloren vooral diepte en Lendl richtte zich op. Het publiek ging zich ermee bemoeien en plotseling lieten de Fransen weten dat zij Amerikanen met een grote mond helemaal niet zo aardig vinden.

Deze spelers zijn uiteraard niet altijd te vergelijken in sterkte. Gonzales speelde met een houten racket, met bespanningen die minder veerkrachtig waren dan de huidige en met ballen waarvoor hetzelfde gold. Voor Connors en Borg, die nu aan de beurt zijn, gold dat ook.

Jimmy Connors was in technisch opzicht bij lange na niet een van 's werelds besten. Ook bezat hij geen imponerende opslag, al varieerde hij die als een razende. Aan het net blonk hij evenmin uit, zodat je je afvraagt waar 's mans geweldige populariteit en successen vandaan kwamen. Welnu, Connors had een ideale wedstrijdmentaliteit. Hij kon vechten als geen ander en zag ook kans het publiek achter zich te krijgen. Maar zonder gevaarlijke en scorende slagen zou hij nooit een grandslamtitel hebben gewonnen. Zijn returns op services waren echter van grote klasse. Ik heb verder nooit iemand anders zo constant en diep onder de bal zien komen als hij. Hij was geen lieverdje op de baan en in zijn jongere jaren kon hij blufferig en bruut uit de hoek komen. Later begreep hij dat hij het publiek aan zijn kant moest hebben en deed een scheut humor in zijn optreden.

In 1977 in de finale op Wimbledon was Connors mentaal nog niet zo ver. Hier stond de vechtersbaas uit St. Louis (Mississippi) tegen de koelste aller Zweden. Björn Borg was een topspinkampioen. Zijn rackets waren zwaar bespannen om die topspin zoveel mogelijk ter wille te zijn. In hotelkamers hoorde Borg vaak midden in de nacht de snaren van zijn rackets springen. Hij heeft toptennis nieuwe impulsen gegeven, de eerste jaren met zijn enorme vastheid op de baseline, later werd hij gevarieerder in zijn spel en voegde hij netspel aan zijn repertoire toe.

In 1977 stond het in de finale Borg-Connors 2-2 in sets. Connors had 2-1 achtergestaan, maar magnifiek teruggevochten. Borgs sterke opslag was vaak een probleem en er waren fasen waarin de Amerikaan rijp voor de slacht leek, maar door pure vechtlust kwam hij terug. Eenmaal in de beslissende set beland leek Connors aan het eind van zijn Latijn: 4-0 achter. Op zijn laatste krachten confronteerde hij de verbaasde Zweed met aanvallend tennis van de eerste orde. Borg was in het bezit van een pokerface en toonde zelden zijn innerlijk. Intussen kwam Connors adem tekort. Bij een stand van 4-4 was de kaars op. Hij verknoeide kansen op 5-4. Borg herademde en won met 6-4.