De moraal van de kiekendief

ROTTERDAM, 19 JUNI. In de tuin van Café Floor schijnt de zon en vliegen de mussen rakelings langs de hoofden van de discussianten. Ongeveer honderd mensen luisteren naar een beschaafd meningsverschil over het belang van Allen Ginsberg, de Amerikaanse Beat Poet die op 5 april op 70-jarige leeftijd overleed.

“Zonder Allen en zijn ideeën over performed poetry zou een festival als Poetry International niet eens bestaan,” zegt de criticus Eliot Weinberger. “Dat neemt niet weg dat zijn poëzie gedateerd is,” antwoordt de Vlaamse dichter Dirk van Bastelaere. “Allen was een fantastisch acteur,” voegt J.Bernlef daar aan toe. “Maar nu zijn stem er niet meer is, blijven voornamelijk doodsaaie gedichten over.”

Dat laatste blijkt mee te vallen: als Weinberger Ginsbergs lange gedicht 'America' voordraagt, wordt het aandachtig stil in de volière. Zelfs Bernlef moet toegeven dat de vroege gedichten van Ginsberg, mits goed voorgelezen, overeind blijven. Wel is iedereen het erover eens dat het daarna bergafwaarts ging met de poëzie van de bebaarde Beat Poet. “Het is de prijs die je betaalt voor retoriek,” merkt de Amerikaanse dichter Michael Palmer op. “Poëzie voor luisteraars is veel beperkender dan poëzie voor lezers.”

Een paar uur later, in het 'Nederlands programma' in de kleine zaal van de Stadsschouwburg, leest Dirk van Bastelaere voor uit zijn bundel Diep in Amerika. De geest van Ginsberg is over hem niet vaardig; enigszins monotoon declameert hij een tiental weinig toegankelijke gedichten, die in Engelse vertaling achter hem op het scherm geprojecteerd worden. Zijn poëzie voor lezers gaat te snel om werkelijk indruk te maken, en komt beter tot zijn recht op het veel geduldiger papier.

Ook de Nederlandse Renée van Riessen (“ik kom uit een streek die plat is als een pannekoek”) is niet wat je noemt een performing poet. Maar haar door landschap en natuur geïnspireerde gedichten zijn wel geschikt voor luisteraars. Van Riessen bezingt het moreel besef van de kiekendief ('vliegen is vrij en duiken kent geen schuld') en neemt een voorschot op de zomer in 'Koningsmasker', een gedicht over een imker dat begint met de woorden 'Hij is de landheer van een licht seizoen / en praat er ongemaskerd met de bijen.'

K. Schippers, wiens laatste bundel Een leeuwerik boven een weiland alleen in de titel overeenkomsten vertoont met de poëzie van Van Riessen, blijkt de beste performer van de avond. Zijn timing is perfect en zijn gedichten vol onverwachte observaties lenen zich goed voor het oor. Een quasi-serieuze bespiegeling over sneldrogende verf ('een schilderij dat droogt/ in een rijdende auto') zorgt voor de eerste lachbui in de volle zaal.

Tot slot is het de beurt aan Robert Anker, die bij wijze van experiment en als hommage aan de Beat Poets, een jazz and poetry-sessie doet met het Guus Janssen Trio. Terwijl piano, bas en drums improviseren op thema's die Janssen baseerde op Ankers poëzie, declameert de dichter drie 'telefoonballades' uit zijn laatste bundel, waaronder 'De ballade van mijn moeder die opbelt om te vragen of het bij ons ook zulk slecht weer is'. Allen Ginsberg he ain't, en verbale improvisatie komt er niet aan te pas, maar Ankers zingzeggende stem mengt goed met de muziek. Zelfs lange homerische vergelijkingen vliegen zonder haperen de zaal in.