De anatomische tennisles

Het ideale tennislichaam bestaat niet, zegt de arts van de tennisbond. Het is hooguit een paar centimeter langer dan een gemiddeld lichaam. Kwetsbaar zijn vooral de pezen en gewrichten. Op spreekuur bij de bondsarts.

VAN HET NEDERLANDSE volleybalteam dat in Atlanta olympisch goud won, waren Ron Zwerver en Henk-Jan Held met hun 2,00 meter de kleinste lange mannen. Michael Jordan, de beste basketballer ter wereld, kan vliegen ondanks zijn lengte van 1,98 meter. Het ideale gewicht voor een lineback in het American Football is 155 kilo. Turnsters daarentegen slikken groeiremmers om maar zo iel mogelijk te blijven.

En toptennissers? Die zijn er in allerlei soorten en maten. Michael Chang, de nummer twee van de wereld, is een dreumes vergeleken bij Richard Krajicek. En Pete Sampras, de nummer één, heeft het postuur van een postbode. Hij is gelijkmatig gebouwd, 1,85 meter lang en 77 kilo zwaar.

“Het ideale tennislichaam bestaat niet”, zegt Babette Pluim, de bondsarts van de Nederlandse tennisbond KNLTB. “Becker is zwaar en sterk, Michael Stich slank en pezig. Toch hebben ze beiden Wimbledon gewonnen. Bij tennis is lichaamsbouw slechts voor tien of vijftien procent een verklarende factor.”

Pluim staaft haar stelling met de gegevens van de nationale jeugdselecties. Vergeleken met ongetrainde leeftijdsgenoten zijn de tennissers gemiddeld een paar centimeter langer. Ze zijn atletischer van bouw, hun vetpercentage is lager en hun loopvermogen is groter. Weinigzeggende cijfers, concludeert Pluim. “Voor wielrenners, roeiers en turners bestaat een veel duidelijker profiel. Tennissers zijn iets langer dan gemiddeld, maar nooit zo lang als basketballers. En soms zijn ze klein, zoals Michael Chang en Arantxa Sanchez.

Het maakt ook verschil wat voor type speler je bent. Voor een serve-volleyspeler is lengte belangrijk. Dat geeft extra mogelijkheden met serveren en aan het net heb je een groot bereik. Serve-volleyspelers zoals Edberg en Siemerink zijn vaak ook katachtig snel. Maar hun duurconditie is minder dan die van de gravelspecialisten. Baseliners kunnen grotere afstanden lopen en hebben doorgaans een wat meer gedrongen postuur. Maar soms betekenen dit soort dingen niets. Andre Agassi is slechts 1,80 meter lang en hij won Wimbledon in 1992 vanaf de baseline.''

Ook kracht is volgens de bondsarts niet de belangrijkste prestatiebepalende factor. “Coördinatievermogen en techniek spelen bij tennis een grotere rol dan kracht en uithoudingsvermogen. Als je geen balgevoel hebt, geen coördinatie, kun je wel inpakken. Dat is moeilijk te compenseren met hardlopen of krachtig slaan. De sterkste en fitste wint ook niet per definitie. Kuerten had op Roland Garros met handjedrukken vast van Bruguera verloren. En hoe sterk Martina Navratilova ook was, veel fysiek zwakkere speelsters wisten haar op het laatst te verslaan.”

Wel is de tennissport als geheel in de loop der jaren veel krachtiger en sneller geworden, zegt Pluim. Bij de nationale kampioenschappen voor tennisleraren in 1941 vestigden Mos en Waasdorp een record met een rally van 211 slagen. “Zulke lange slagenwisselingen zijn tegenwoordig uitgesloten”, zegt Pluim. Een recent onderzoek van de medische commissie van de tennisbond wees uit dat een rally op een snelle hardcourtbaan bij een Davis-Cupduel tussen Jan Siemerink en Marc Rosset gemiddeld slechts drie seconden duurde, de langste minder dan tien seconden. De partij duurde weliswaar 144 minuten, maar de zuivere speeltijd bedroeg slechts 10,5 minuut, zo'n 7,4 procent.

“Zulke cijfers zijn belangrijk om te weten hoe de energie bij tennis wordt geleverd”, legt de bondsarts uit. Tennis is een explosieve sport, met veel korte sprintjes achter elkaar. Ook al duurt een wedstrijd een paar uur, de inspanningen zelf duren maar kort. De tennisser haalt zijn energie voor zeker zeventig procent uit de fosfaatvoorraad van zijn lichaam. Na tien seconden van grote inspanning is die voorraad echter uitgeput en heeft het lichaam een halve minuut nodig om de helft van de verbruikte fosfaten weer aan te maken.

Als de fosfaatbatterij leeg is, gaat het lichaam over op een energiesysteem waarbij melkzuur wordt geproduceerd, een vervelende afvalstof die de spiercellen slechts moeizaam kan verlaten. “Maar alleen tennissers met een slechte basisconditie lopen de kans te verzuren”, zegt Pluim. “Tennissers herstellen tussendoor en komen haast nooit, zoals een marathonloper, fysiek op nul uit.”

Vergeleken met veel andere sporten is tennis een veilige sport, al was het alleen maar omdat een net de spelers scheidt. Het aantal blessures per 1.000 sporturen - in jargon: de incidentiedichtheid - ligt bij buitentennis op 1,5 en bij binnentennis op 3,5. Het zijn cijfers die gunstig afsteken bij de blessuregetallen van voetbal, hockey (beide 5,5) en zaalhandbal (6,5). Toch is het aantal tennisblessures in Nederland groot. Van de zevenhonderdduizend leden van de KNLTB raakt jaarlijks naar schatting tien procent geblesseerd.

Met de dit jaar gestarte campagne Een sportblessure, vervelender dan je denkt probeert de tennisbond in samenwerking met sponsor het Zilveren Kruis het aantal blessures terug te dringen. “Met allerlei preventieve maatregelen kan tennis veel veiliger worden”, zegt Pluim. “Veel mensen zijn zich niet bewust van de gevaren. Regelmatig tennissen is beter dan af en toe heel intensief. Een goede basisconditie voorkomt veel problemen, net als armvriendelijke rackets en goede schoenen met het juiste profiel. Een warming-up is belangrijk om de bloedsomloop te stimuleren. Veel tennissers vergeten de laatste tien minuten van de training te besteden aan een cooling-down, zodat het lichaam zich geleidelijk kan aanpassen van inspannings- tot rustniveau.”

De meest voorkomende tennisblessure is overbelasting van het peesweefsel van de gewrichten. Jonge mensen krijgen vooral last omdat ze veel spelen, ouderen omdat ze kwetsbaarder zijn. Pluim: “De meeste blessures ontstaan aan het begin van het seizoen, bij de overgang van de binnen- naar de buitenbanen. Opeens staan spelers langdurig op gravel, met raar weer en een andere stuit van de bal. Bijna altijd ontstaat een blessure door een combinatie van factoren.”

Recreanten hebben vooral last van zweepslagen, knieproblemen en tennisellebogen. Toptennissers krijgen klachten aan pols en schouder. De enorme kracht die de profs in hun service leggen, vraagt veel van het opvangmechanisme van de schouder. “De selectieteamspelers in Nederland hebben gemiddeld elk jaar wel een blessure”, zegt Pluim. “Wat tennis zo lastig maakt, is dat je van tevoren niet weet hoe lang en hoe vaak je moet spelen. Jacco Eltingh zei op een gegeven moment: ik heb te veel gespeeld. Zowel in het enkel- als dubbelspel had hij veel succes. Maar zo'n constatering doe je pas achteraf, als het al te laat is. Lang van tevoren plan je al je agenda en maak je afspraken met je dubbelpartner.

“Bovendien beginnen tennisblessures vaak zo sluipend. Als iets er in een keer inschiet, zoals een zweepslag, weet je dat je even niks moet doen. Maar bij zeurende pijntjes is de neiging om door te spelen vaak groot. Dat verschijnsel zie ik niet alleen bij topspelers, maar ook bij twaalfjarigen die last hebben van hun elleboog. Als ik adviseer twee weken rust te nemen, zegt zo'n tennisvader: ja, maar zondag kan mijn zoon met de club nog derde worden in de competitie.”

Volgens de bondsarts heeft het gebruik van verboden prestatieverhogende middelen bij tennis geen zin. “Tennis is een schone sport. Als je op jeugdige leeftijd spierversterkende middelen zou gebruiken, groei je niet meer. Ook van plastabletten, amfetamines en bètablokkers ga je niet beter spelen. Tennis is geen gewichtheffen, atletiek of zwemmen. In die sporten kan een atleet zich drie maanden terugtrekken om controles te ontlopen. Tennissers spelen het hele jaar door. De enige doping waarbij je als tennisser baat hebt, is koffie. Als je dat normaal weinig drinkt, verbetert je duurprestatie omdat de vetverbranding beter gaat.”

En hoe zit dat dan met Mats Wilander en Karel Novacek, de twee tennissers die vorig jaar werden geschorst omdat in hun urine bij de Open Franse kampioenschappen sporen van cocaïne werden gevonden? Pluim: “Dat zijn genotmiddelen waar je absoluut niet beter van gaat tennissen, eerder slechter. Cocaïnegebruik heeft alleen te maken met het mooie en jetsetterige leven dat toptennissers leiden.”

TOP VIJF

De meest voorkomende tennisblessures zijn:

Zweepslag Een spierscheurtje in de kuit is de meest voorkomende tennisblessure (30 procent van het totale aantal geregistreerde blessures). Het duurt gemiddeld drie weken voordat deze blessure is genezen. De blessure ontstaat door overbelasting, oververmoeidheid en verstappen. Preventieve maatregelen zijn een goede warming-up en het oprekken van de spieren.

Verstuikte enkel Enkelverstuiking, een overrekking of scheur van de enkelbanden: 18 procent van het totaal aantal blessures. Herstel vergt gemiddeld drie weken. Eenderde van de geblesseerden kan een week niet werken. Ontstaat vaak door oneffen ondergrond of het struikelen over de bal. Met tape en bandages kunnen zwakke enkels worden ondersteund.

Verdraaide knie Ernstige blessure, 12 procent van het totaal. Genezingsduur van gemiddeld zes weken. Eenderde van de geblesseerden kan drie weken niet werken. Ontstaat door verstappen, vaak tijdens de slagbeweging terwijl men tegelijk loopt en draait. Is weinig aan te doen, vooral een kwestie van juiste coördinatie.

Bovenbeenblessure Verrekking of scheurtje in de spieren van het bovenbeen. Voor deze blessure wordt de dokter meestal niet bezocht. De gemiddelde genezingsduur is ruim twee weken, zonder ziekteverzuim. Uitglijden is de meest voorkomende oorzaak, gevolgd door verstappen en overbelasting.

Tenniselleboog Overbelasting van de strekkers van de pols, ter hoogte van de aanhechting aan de buitenzijde van de elleboog. Gemiddelde genezingsduur is ruim twee weken. Ontstaat door overbelasting en door slechte techniek. Vaak wordt te veel of te weinig kracht uit de pols gehaald tijdens het slaan. Door het aanleren van de juiste beweging en een goede keuze van het racket kan veel onheil worden voorkomen. Bron: Blessures bij tennis, Nelleke Weijermans, 1995