Bij toepassing art. 140 ligt willekeur op de loer

Een van de onderdelen van het actieplan tegen de georganiseerde criminaliteit dat aan de Europese Top werd voorgelegd, betreft harmonisering van de strafbaarstelling van het lidmaatschap van een criminele vereniging binnen de Europese Unie. Nog voordat de regeringsleiders zich hierover bogen in De Nederlandsche Bank bracht de Amsterdamse justitie in de straten van de hoofdstad een opmerkelijke nieuwe variant in praktijk.

Zij pakte meer dan driehonderd 'chaoten' en andere tegenstanders van de Eurotop op toen dezen een bekend krakerscafé verlieten na een oproep tot een nachtelijk lawaaiconcert voor de buitenlandse delegaties.

Rond de logeeradressen van de delegaties was een noodverordening van kracht. Op grond daarvan zijn inmiddels andere demonstranten opgepakt. De chaoten waren zelfs nog niet aan de noodverordening toegekomen. Daarom werden zij ingerekend op grond van artikel 140 Wetboek van strafrecht, lidmaatschap van een criminele organisatie.

Deze wetsbepaling beleeft de laatste jaren een opmerkelijke revival. Hij gaat terug tot de Franse tijd en was toen vooral bedoeld tegen roversbenden. Lange tijd leidde deze strafbepaling een slapend bestaan om in de jaren tachtig door een Gideonsbende van officieren van justitie te worden herontdekt in de strijd tegen malafide koppelbazen. Tegenwoordig staat artikel 140 vooral in de belangstelling vanwege de georganiseerde (drugs)criminaliteit. Zie de Eurotop.

Het blijft in Nederland echter niet bij de aanpak van de zware criminaliteit, signaleerde het departement van Justitie enkele jaren geleden. Ook voetbalvandalen en krakers hebben er aan moeten geloven. Racistische groeperingen als CP'86 hebben kennis gemaakt met artikel 140, maar ook een kamp van vredesactivisten in Vierhouten. Deze strafbepaling biedt justitie en politie dan ook “ruime mogelijkheden”, concludeerde M.J.H.J. de Vries-Leemans twee jaar geleden in haar Tilburgse proefschrift over misdaadorganisaties.

De aantrekkingskracht ligt vooral in de omstandigdheid dat de autoriteiten niet hoeven af te wachten tot een concreet delict is gepleegd. Historisch gezien is de enkele omstandigheid dat “kwaaddoeners” een verbond hebben gesloten voldoende om het strafrecht in stelling te brengen. Artikel 140 is zó ruim bemeten, dat sommige strafrechtjuristen menen dat het in strijd is met het klassieke rechtsbeginsel van de “Lex Certa”: de strafwet moet voldoende duidelijk aangeven waar de grenzen liggen zodat de burger zijn gedrag daarop kan afstemmen.

In Amsterdam wuifde hoofdofficier van justitie Vrakking deze week alle bezwaren weg. Mensen die zich verzamelen om chaos te scheppen, kunnen zich niet met recht beklagen over toepassing van artikel 140, vond hij. De kans dat er onschuldige voorbijgangers waren opgepakt, was volgens de magistraat te verwaarlozen. Burgemeester Patijn liet echter op de stadstelevisie blijken daar wel degelijk van uit te gaan en de Amsterdamse rechtbankpresident Gisolf heeft dit bange vermoeden bevestigd met een vonnis waarin hij de vrijlating gelaste van drie arrestanten.

De strafbepaling is ruim bemeten doch niet oeverloos. Voor de toepassing van artikel 140 is vereist dat er sprake is van een zekere graad van organisatie. “Een incidenteel samenwerkingsverband is niet voldoende”, waarschuwde De Vries-Leemans. “Ook het incidenteel plegen van een of meer misdrijven is niet voldoende; de organisatie moet zich dit tot doel stellen.” De strafbare groep kan in samenstelling wisselen, zo heeft de Hoge Raad uitgemaakt in het geval van de vredesactivisten die onder meer hekken bij militaire objecten doorknipten, maar er moet wel sprake zijn van een harde kern en een zekere systematiek in haar streven.

Het staat te bezien of de Amsterdamse justitie dit kan waarmaken in het geval van de aangehouden chaoten c.s., naar het zich laat aanzien een typische ad-hoc-coalitie. Op zichzelf wilde Gisolf in kort geding niet uitsluiten dat de bepaling over criminele organisaties kon worden ingeroepen, maar hij liet het oordeel over aan de strafrechter. In elk geval waarschuwde hij op voorhand dat daadwerkelijke betrokkenheid van iedere opgepakte deelnemer individueel dient te worden aangetoond. Zijn uitspraak kan moeilijk worden aangemerkt als een vertrouwensvotum in de aanpak van de Amsterdamse justitie, zoals hoofdofficier Vrakking het voorstelde.

Het staat trouwens te bezien of de Amsterdamse justitie wel de bedoeling had de arrestanten voor de strafrechter te brengen. Het afbreukrisico van artikel 140-zaken is vrij groot, zo blijkt uit het overzicht van het departement van Justitie. Het is de autoriteiten vaak dan ook helemaal niet begonnen om een strafrechtelijke veroordeling te verkrijgen, maar meer om een “strategische inzet” van het wetsartikel. Dit geeft namelijk meer mogelijkheden tot aanhouding en inverzekeringstelling dan het geval is bij de afzonderlijke delicten waarvan de groep wordt verdacht.

Het motto 'opgeruimd staat netjes' is zeker bij de handhaving van de openbare orde niet zonder gevaren, zo blijkt uit het betoog van Brouwer en Schilder gisteren in deze krant. Er is immers een fundamenteel recht van bewegingsvrijheid in het geding, ook al is dat niet met zo veel woorden opgenomen in onze Grondwet. Het behoort in elk geval tot de Europese vrijheidsrechten. Het ontwerp-Verdrag van Amsterdam nodigde de regeringsleiders juist uit het respect voor deze fundamentele rechten expliciet te bevestigen.

Het is begrijpelijk dat gastheren van een internationale topontmoeting een speciale zone van veiligheid en rust scheppen. Maar daar is de noodverordening voor. Om daar met behulp van een onbestemde strafbepaling nog weer buiten te gaan, is bedenkelijk. Het gevaar is met name niet denkbeeldig dat het louter propageren van bepaalde denkbeelden wordt bestempeld tot betrokkenheid bij een criminele organisatie. Dat verdraagt zich slecht met het Europa van mondige burgers dat de Europese Unie juist heet te dienen.