Aan de rafelrand van Europa (2)

ODESSA/AMSTERDAM. Langs de trappen naar de haven van Odessa liep een vrouw naar beneden, een vrouw met grijze, verwarde haren. Ze wankelde. “Weg zijn de communisten. Weg is God”, riep ze. “God bestaat niet. De staat bestaat niet. Er zijn alleen nog maar arme mensen, rovers en bandieten, God, help ons! Rovers! Bandieten!” En zo bleef ze roepen, tot beneden toe. Haar stem klonk schor en rauw, maar wat ze zei was woord voor woord waar.

Odessa is op een extreme manier verdeeld in twee werelden. De grote wereld van de sappelaars die rond moeten komen van een handvol roebels per maand - als ze hun salaris tenminste uitbetaald krijgen. En daarnaast is er de kleine wereld van de rijken en de toeristen. Die kleine wereld heeft eigen winkels, terrassen, restaurants en zelfs eigen straten, en een glas wijn en een hapje kost er een weekloon. Het is een flinterdunne laag die 'markt' heet, of 'business', en waar iedereen bij wil horen.

De dissidenten zijn hier de ouderen. Velen van hen begrijpen niet in welke wereld ze terechtgekomen zijn. Zij lijken op mensen die een paar haltes te laat zijn uitgestapt, en nu verbijsterd om zich heen kijken, verdwaald in de tijd. De moeder van onze tolk stierf vorig jaar, 95 jaar oud. Kort voor haar dood vroeg ze haar dochter om een kilo snoepjes te kopen, het soort dat ze altijd gehad had. “Zal ik maar niet een ons kopen”, had haar dochter gezegd. “Een kilo, dat is meer dan uw halve pensioen van deze maand.” “Je bedriegt me”, had haar moeder gezegd. Ze stierf in grote verwarring.

“Dit is geen leven, maar je reinste schouwburgbrand!”, zei de arme plattelandsarts Sobol honderd jaar geleden, in een van Tsjechovs verhalen. “Wie valt of van angst begint te schreeuwen en zijn hoofd kwijtraakt is vijand numero een van de orde. Je moet rechtop blijven staan, uit je doppen kijken en geen kik geven!” Dat is de enige manier om te overleven, in 1892, maar ook in 1997.

Wat in Odessa opvalt is de taaiheid der dingen. Dat geldt voor de huizen en kantoren in de binnenstad, waarvan sinds de negentiende eeuw nog geen deurknop is vernieuwd, en het geldt ook voor stations, treinen, bussen, trams en andere infrastructurele zaken. Alles dateert uit de jaren vijftig en zestig, alles rijdt nog, alles doet het nog, maar het land rijdt op het krediet van het verleden, op de vakkundige bouwers uit de tsarentijd en de plompe sovjet-techniek van de jaren vijftig en zestig. Alles wordt opgebruikt, niets wordt vervangen.

Terug in Amsterdam is dat misschien wel de grootste cultuurschok. Hier is niets taai. Het wordt alles vervangen, vernieuwd, verbouwd, in een permanent proces van perfectionering. Hier is alles nieuw - en wat oud is, is de laatste decennia minstens éénmaal grondig gerenoveerd. En die perfectie bereikte zijn hoogtepunt tijdens de laatste Eurotop. Nooit was de binnenstad zo'n beeldschoon stukje Disneyland als de afgelopen dagen. Voor de burgerij werd de lichte ergernis over de afzettingen ruimschoots gecompenseerd door de feestelijke rust die de stad uitstraalde: een Nieuwmarkt zonder junks en dealers, grachten zonder parkeerblik, overal goedgeluimde ordebewakers, een ongekende autoluwheid en elke avond theater en muziek van de beste ensembles. Zo was iedereen blij en zoet.

Wie in zo'n stad dissident wil zijn moet wel tot het uitschot behoren, en zo werden de jeugdige activisten die de harmonieuze sfeer dreigden te verstoren dan ook aangepakt. Door politie en justitie, die voor het gemak vergaten dat iemand van negentien ook een staatsburger is voor wie de elementaire grondrechten gelden, al heeft-ie groen haar en gaten in zijn broek. Door veel media, die de demonstranten consequent betitelden als 'chaoten', 'autonomen' of 'relschoppers' en hun criminalisering daarmee verder aanjoegen.

Terug in Amsterdam trok ik een middag met hen op, praatte met hen, las hun pamfletten. Ik kwam geen enkele 'chaoot' tegen. Ik zag precies zes hanenkammen - die voortdurend gefilmd werden - en voor het overige ging het voornamelijk om middelbare scholieren, studenten en aanverwant volk. Inderdaad, onder dissidente groeperingen bevindt zich altijd een hoog percentage halvegaren en pathologische oproerkraaiers, en dat was ook hier het geval. Maar dat nam niet weg dat het grootste deel van deze rafelige jeugd om hele normale, zinnige, politieke redenen de straat op ging. Hun onbehagen met het elitaire karakter van de Europese Unie en de toenemende ondemocratie binnen Europa deelden ze met talloze keurige auteurs op de opiniepagina's. Alleen ontbrak vrijwel iedere persoonlijke band tussen deze dissidenten van de straat en de dissidenten van de geest - en dat maakte hun marginaliteit nog groter.

Ruim zeshonderd arrestanten leverde de Eurotop van 1997 op, een veelvoud van de oogst van zelfs de meest gewelddadige kraakrellen in de jaren tachtig. Je zou denken dat de halve stad in brand had gestaan. Juridisch rammelde het allemaal zó, dat de rechter in kort geding al na een dag een aantal vrijlatingen beval - een zelden voorkomende ingreep van een burgerlijk rechter in een strafrechtelijk proces.

De nasmaak van de Eurotop is zo voor de stad Amsterdam dubbelharig en vreemd. Aan de ene kant de fabelachtige organisatie, de soepelheid, de knappe mengeling van tolerantie en repressie. Aan de andere kant een toenemend onbehagen. Wat is dit voor een staatssysteem, dat zich bij een topoverleg zo moet verdedigen dat hele stadsdelen werden stilgelegd? Wat is dit voor dictatuur van de PR en de glimlach? Wat zijn dit voor heersers, die zo bang zijn voor hun volk?

Elk systeem heeft zijn dwaze vrouwen die schreeuwend van de trappen lopen, de dissidenten die ons ermee confronteren dat de wereld van de sappelaars de wereld van de burgers overschaduwt, en dat de schouwburg brandt. Een samenleving kan zich daarvoor afsluiten, in het streven naar perfectie. Maar de angst blijft.