Voorzitter W.A. Hafkamp van werkgroep nota Milieu en Economie; 'Eigen rol overheid onderbelicht'

De nota Milieu en Economie kwam tot stand in een ambtelijke werkgroep onder voorzitterschap van een niet-ambtenaar: milieu-econoom prof. dr. W.A. Hafkamp. Hij vindt dat het kabinet zijn eigen rol onderbelicht.

ROTTERDAM, 18 JUNI. Hafkamp voelde zich de afgelopen maanden soms wat ongemakkelijk in zijn rol als “semi-ambtenaar”. Aan de ene kant is hij tevreden omdat de nota een aantal concrete aanzetten geeft tot een duurzamere economie. Aan de andere kant vindt hij het jammer dat de nota te weinig concrete voorstellen bevat voor de rol die de overheid zélf kan spelen bij een duurzame economische ontwikkeling.

Neem nu de discussie over de toekomst van Schiphol. De zeer snelle groei van het vliegverkeer op Schiphol wordt mede veroorzaakt doordat de brandstof op de luchthaven tot de goedkoopste in de Europa behoort. “De overheid zou moeten bekijken wat bijvoorbeeld een verdubbeling van de kerosineprijs voor de toekomstige ontwikkeling van de luchtvaart in Nederland zou betekenen”, aldus Hafkamp. “Dan moet de overheid onder ogen zien dat een duurzame economische ontwikkeling niet altijd gepaard kan gaan met win/win-situaties. Maar overigens kan een kleinere luchtvaartmaatschappij ook zeer winstgevend zijn.” Nu ijvert minister Jorritsma (Verkeer) in Europees verband wel voor een heffing op vliegtuigbrandstof, maar het kabinet houdt geen rekening met het mogelijke succes daarvan.

Dat zulke concrete verbanden niet in de nota staan, komt niet doordat niemand op het idee is gekomen. Integendeel, er is uitvoerig over gediscussieerd. Maar de nota is het product is van een maandenlang onderhandelingsproces tussen de ministeries van Verkeer en Waterstaat, Economische Zaken, VROM en Landbouw, beklemtoont Hafkamp. Uitslag van die onderhandelingen is dat het kabinet nu “niet ingaat” op de vraag hoe duurzame economische ontwikkeling zich verhoudt tot de grote infrastructurele investeringen die het kabinet in petto heeft.

Toch vindt Hafkamp de verdiensten van de nota Milieu en Economie groter dan de tekortkomingen. Het kabinet zoekt voor het eerst “naar een economische groei die inherent milieubesparend is”. “Het conventionele milieubeleid, geformuleerd in de nationale milieubeleidsplannen, neemt de milieuknelpunten, zoals de kooldioxide-uitstoot, als uitgangspunt. De benadering bij de nota was vanaf het begin: wat is het perspectief voor een beleid waarin milieu- en economische doelen worden gerealiseerd, in plaats van: wat zijn de milieuproblemen en wat moeten we vandaag doen om ze op te lossen? Dat is een benadering die me aansprak.”

Hafkamp is tevreden dat de nota een aantal 'boegbeelden' bevat, concrete en praktische voorstellen waarmee een duurzame ontwikkeling zou kunnen worden bevorderd. Hij noemt als voorbeeld de aanpak van de glastuinbouw zoals het kabinet die in de nota schetst. Daarbij maakt de overheid met deze bedrijfstak afspraken over een zo efficiënt mogelijk gebruik van energie, grondstoffen en bestrijdingsmiddelen, maar krijgt de glastuinbouw tegelijk de kans zijn intensieve productieproces verder te verbeteren door schaalvergroting. In het algemeen voorziet hij goede resultaten voor een overheidsbeleid dat stimuleert dat bedrijven milieu niet alleen zien als kostenpost, maar als integraal aspect van al hun strategische beslissingen.

Hafkamp: “Als je in de maatschappij een verandering in het denken over economische groei kan bewerkstelligen, dan kan dat het tempo van een duurzame economische ontwikkeling versnellen. Daar kan het gezamenlijke paarse kabinet zich toch in vinden. De PvdA mag immers niet meer in de maakbare samenleving geloven, de VVD deed dat toch al niet. En D66 is toch ook de partij van de betrokkenheid van de burger.”

Die duurzame ontwikkeling zou nog sneller kunnen gaan als de overheid dan ook haar verantwoordelijkheid zou nemen, zegt Hafkamp. Met name als het gaat om de miljardeninvesteringen in infrastructuur die de komende jaren op de rol staan. Traditionele investeringen (wegen, vliegvelden, rails) zouden meer plaats moeten maken voor innovatieve infrastructuur, zoals rekeningrijden, ondergronds bouwen, informatica en telecom. Hafkamp noemt een voorbeeld: “Op basis van traditionele vervoerssystemen is ondergronds bouwen inderdaad peperduur. Maar een innovatief vervoerssysteem, zoals een ondergronds distributienetwerk, kan op termijn een grote meerwaarde opleveren. Maar het kabinet verbindt daar geen concrete consequenties aan.”