Vies

Je hoort het wel eens vaker over keurige dames. Mijn eigen moeder heb ik het in elk geval vaak zien doen: in een openbare eetgelegenheid tersluiks het bestek afvegen aan het servet, of liever nog een schone zakdoek. Een wonderlijk ritueeltje, dat haaks staat op haar karakter, want het is bepaald onaardig jegens de restauranthouder.

En nutteloos bovendien. Niemand kan toch in ernst denken dat het afvegen van een lepel (niet het glas, niet het bord) zal helpen tegen welke besmetting dan ook? En als zij dat dacht, zou zij dan haar eigen lepel wel en die van haar kinderen niet afvegen?

Maar opvattingen over hygiëne zijn niet redelijk. Zij zijn wel erg persoonlijk, ja intiem. Zozeer dat er eigenlijk niet over gepraat kan worden. Al zou ik best willen weten hoe vaak u uw lakens verschoont, zou ik er nooit naar durven vragen. Zelfs als ik bij u kwam logeren en ik zag dat de lakens vuil waren (zoals ik een keer heb meegemaakt, horreur) zou ik er niet over durven beginnen; zomin als mijn moeder bij u aan tafel haar bestek zou afvegen. De walging van andermans vuil wordt kennelijk stevig in bedwang gehouden door de vrees om hem te grieven. En bovendien: wie weet wat u in mijn huis allemaal vies zou vinden.

Voor schoonheid in esthetische zin bestaan geen objectieve maatstaven. Gek genoeg geldt dat ook voor het verschil tussen schoon en vies. Vuil is altijd betrekkelijk, alles kan altijd nóg schoner of nóg viezer. Het meeste schoonmaken heeft dan ook geen objectief nut, maar een ritueel karakter. Het is nodig voor je eigen gevoel, of voor andermans ogen - en neus. (Tragisch is dan ook het verhaal van de huisvrouw die geen reukzin bezat, en die zich steeds maar ongerust afvroeg of het wel fris rook in haar huis. Zij kon poetsen wat zij wilde, die zorg ging nooit helemaal weg.)

Volgens Margaret Horsfield, de schrijfster van een Engels boek met de leuke titel Biting the Dust, dat helemaal aan de schoonmaak in huis is gewijd, is de obsessie met properheid pas tegen het eind van de vorige eeuw ontstaan. Daarvóór waren de middelen om het vuil te bestrijden zo ontoereikend, dat niemand op het idee kwam om strenge maatstaven aan te leggen. Kant en klare zeep, stromend water en elektrische apparaten hebben hygiëne binnen ieders bereik gebracht. De ontdekking van ziektekiemen en de opkomst van de huishoudkunde deden de rest.

Alleen Nederland lijkt een beetje een uitzondering te zijn, want de Hollandse properheid (die Horsfield behandelt in haar hoofdstuk over neurotische gevallen) is al sinds de Gouden Eeuw legendarisch. Misschien is het waar, en heeft ons land niet alleen op het gebied van godsdienstvrijheid en polderaanleg een voorsprong op de rest van de wereld, maar ook op dat van de hygiëne.

Als dat zo is, dan is die in elk geval nu niet meer waarneembaar. Nederland is weer net zo vies als het buitenland. Neem het volgende, even onsmakelijke als sociologisch interessante voorbeeld. Vroeger hingen in de tram en ook wel elders bordjes: Niet spuwen. Toen ik als kind eenmaal door had waarover dit ging, bleef de verbazing dat iemand dat ooit in het openbaar zou doen. Spugen kwam eenvoudig niet voor, de hele behoefte eraan leek onbegrijpelijk. De bordjes verdwenen dan ook (om met Norbert Elias te spreken: de dwang van buiten was vervangen door de zelfdwang) en samen met tbc en hondenkarren was spugen-in-het-openbaar verwezen naar de rommelzolder der historie.

Of het nu door tv-beelden van rochelende, spugende sporters komt of door iets anders, het spugen is weer helemaal terug. Ook wat dit betreft blijkt er een soort idyllisch intermezzo in de geschiedenis te hebben bestaan; een periode van grote braafheid die even het bestaan van echte vooruitgang leek te bewijzen - maar toen ineens weer voorbij was.

Ga kijken op het station, op straat, overal. Tussen de kauwgomvlekken zijn steeds meer verse spuugkwakken te zien. Wie dat vies vindt, moet troost putten uit de gedachte dat hygiëne iets heel betrekkelijks is. Tot we weer van die bordjes krijgen natuurlijk.