Raoul Schrott zapt van wetenschap naar wetenschap; 'Poëzie helpt je te leren kijken'

De Oostenrijkse schrijver, dichter en denker Raoul Schrott is geobsedeerd door uitvinders en ontdekkingsreizigers. Vanavond spreekt hij op Poetry International. “Ook wetenschappers hebben poëzie nodig.”

De Nederlandse vertaling van Finis Terrae verscheen bij uitgeverij De Geus. Vertalingen van Schrotts gedichten zijn te koop bij de Poetry-stand in de Rotterdamse Schouwburg. Daar houdt de auteur ook zijn lezingen: vanavond en morgenavond, aanvang 21u30. Inl: 010-4044125.

ROTTERDAM, 18 JUNI. De Griekse zeevaarder Pytheas van Massalia ontdekte in de vierde eeuw voor Christus het hoge noorden van Europa: dat is een historisch feit. Z'n logboeken zijn helaas spoorloos verdwenen. Maar in de twee jaar oude roman Finis Terrae van de Oostenrijker Raoul Schrott duiken zij ineens weer op. Schrotts fictie neemt een loopje met de feiten en voert de lezer mee naar een wereld waarin de eeuwen nu eens hevig met elkaar botsen en dan weer met elkaar versmelten.

“Pytheas”, zegt de 33-jarige Schrott in de Rotterdamse Schouwburg, “leefde in een tijd waarin men nog dacht dat je van de aardschijf kon vallen. Er waren nog gebieden waar niemand durfde te komen, er waren nog taboe-zones, witte plekken op de landkaart. Tegenwoordig kun je middenin de Sahara met een simpel apparaatje vaststellen op welke breedtegraad je staat, en vanuit Alaska stuur je in no time een groet naar de andere kant van de aardbol. Voor ontdekkingsreizigers zijn dit zware tijden. En het probleem is dat wij allemáál ontdekkingsreizigers zijn.”

Schrott kijkt bezorgd en vertelt: “Ik heb een dichter gekend die zelfmoord pleegde toen de Amerikanen de eerste stap op de maan zetten. Zo erg vond hij het dat ook díe plek door anderen in bezit werd genomen. Nu kon hij dat zelf niet meer doen, niet eens in zijn fantasie, want die was door de tv-beelden volkomen geblokkeerd.” Op de maan is Raoul Schrott nog niet geweest, maar verder komt hij zo ongeveer overal - ondanks de banaliteit van het moderne gereis. Reizen, zegt hij verontschuldigend, is hem stomweg met de paplepel ingegoten.

“Mijn vader werkte voor het departement van buitenlandse handel; op een schip naar São Paulo ben ik ter wereld gekomen. Tot mijn tiende woonden we in Tunis; ik heb in Engeland en Frankrijk gestudeerd en ben lector geweest aan de universiteit van Napels. Hoe vreemder de taal die ik hoorde, des te meer ze mij fascineerde.” De klanken van al die talen verwerkt Schrott in zijn proza en vooral in zijn poëzie. Alleen al de namen boven de gedichten in zijn Hotels-cyclus roepen Fernweh op: 'hotel dar zarrouk' en 'hotel les sirènes' lezen wij - namen waartegen die van het Rotterdamse hotel waar Schrott nu logeert nogal bleekjes afsteekt.

“Hotel Centraal”, zegt hij, “lijkt op het Chelsea Hotel in New York. Een beetje kapot, erg charmant. Een hotel dat best in mijn cyclus gepast had. En Rotterdam lijkt trouwens op Kaapstad.” Voortdurend denkt Schrott in vergelijkingen: “Zonder metaforen zou er geen poëzie bestaan.” Ook andere mensen, betoogt de dichter, hebben de poëzie nodig. “Neem nou natuurwetenschappers. Die kunnen hun bevindingen alleen aan het publiek uitleggen met behulp van parabels en pakkende beelden. 'Het zwarte gat', dat is toch een dichterlijk beeld? De wetenschap definiëert de wéreld en poëzie is iets voor autisten, vindt men in Oostenrijk. Maar ík zeg: poëzie is een instrument waarmee je de wereld kunt onderzoeken.”

Zowel binnen zijn oeuvre als daarbuiten, bij een interview bijvoorbeeld, zapt Schrott vrolijk van wetenschap naar wetenschap. Neurologie en etnografie, astronomie en etymologie: alles wat hij kan gebruiken heeft zijn belangstelling. “Wetenschap”, zegt hij nadrukkelijk, “is voor mij geen elitair vertoon van kennis maar een uiting van de elementaire behoefte aan wijsheid. Wijsheid komt van het Indo-Europese woord wid, en dat betekent: kijken. Poëzie helpt je te leren kijken.”

Een tweedelige lezing waarin hij het belang van de poëzie verdedigt, zal Schrott in het Poetry-festival houden. Hij zal teruggaan naar de bronnen van de poëzie en uitkomen bij de Soemerische priesteres Enheduanna. Zij schreef, zo beweert hij, zo'n 2350 jaar voor Christus hymnen aan de godin Inanna, en inspiratie ontving ze door een godheid op de sofa uit te nodigen. “Literatuurwetenschappers beweren dat Sappho de uitvindster van de dichtkunst was, maar ik kom 1500 jaar eerder in de geschiedenis uit. Jazeker, van Enheduanna's poëzie zijn schriftelijke documenten gevonden die we woensdag zullen voordragen.”

Haalt Schrott, net als in Finis Terrae, ook nu weer feiten en verzinsels blijmoedig door elkaar heen? Deze schrijver kun je nooit helemáál geloven. Hoe exacter hij zich uitdrukt, hoe dubieuzer en raadselachtiger zijn medelingen worden. En zo krijgt de onttoverde wereld van vandaag de dag toch weer een romantische glans.