Politie misbruikte haar bevoegdheden

In Amsterdam zijn honderden 'chaoten' opgepakt die lid zouden zijn van een criminele vereniging. Misbruik van recht, vinden J.G. Brouwer en A.E. Schilder.

Opnieuw heeft de burgemeester van Amsterdam naar het beproefde middel van de noodverordening gegrepen om de openbare orde in de hoofdstad te handhaven. De veiligheid van de Europese regeringsleiders zou niet maximaal gewaarborgd zijn als niet een scala aan burgervrijheden beperkende maatregelen van kracht zou worden. Er waren immers grootschalige demonstraties door diverse groeperingen uit Europa aangekondigd. Dat wettigde “de ernstige vrees voor ernstige wanordelijkheden en verstoring van de openbare orde”.

Voor de burgemeester reden om voor negen gebieden in de binnenstad een demonstratieverbod af te kondigen. Rondom het gebouw van De Nederlandsche Bank gold een beperking van de bewegingsvrijheid: alleen bewoners en personeel van bedrijven mochten er komen. En een reeks van andere veiligheids- en verkeersmaatregelen werd van kracht.

Amsterdam heeft wat de inzet van noodmaatregelen aangaat een zekere reputatie op te houden. Zonder overdrijving kan men stellen dat de stad de kroon spant bij het toepassen van noodmaatregelen. Een van de eerste keren was in 1980 bij de inhuldiging van Beatrix als koningin. Een groot gedeelte van de Amsterdamse binnenstad werd toen bij noodbevel tot verboden gebied verklaard. Voor de bewoners gold een pasjesregeling.

Dat wil niet zeggen dat andere gemeenten er geen gebruik van maken. In het eerste weekeinde van april 1997 gold in Den Haag een noodverordening: openbare manifestaties en activiteiten in welke vorm dan ook met een demonstratief karakter waren binnen de gemeente verboden. Drugsoverlast was voor Maastricht in 1994 reden om het noodbevel 'de Kleine Griend' af te kondigen. Op grond hiervan werden niet minder dan 935 personen voor onbepaalde tijd uit Maastricht verwijderd. Ook bij de vorige Eurotop in Nederland maakte Maastricht gebruik van de noodverordening.

In Amsterdam zijn in de loop der jaren nog andere maatregelen bedacht om ordeverstoorders weg te houden. Berucht is de methode-Koppejan, genoemd naar een voormalige hoofdinspecteur van politie. Deze dropte anti-Vietnamdemonstranten ergens buiten de stad waarna ze zelf maar weer terug moesten zien te komen. De maatregel is later in allerlei varianten opnieuw toegepast. Commissaris Doosjes zette in Zeeland (mogelijke) lastpakken op de veerboot naar Breskens. Meestal waren ze zolang onderweg dat eenmaal teruggekomen het gevaar geweken was. Vorig jaar haalde burgemeester Mans van Enschede de FC Groningen-supporters met de bus van het station op om ze vervolgens niet naar het Diekmanstadion, maar naar af te sluiten hangars op vliegveld Twenthe te rijden.

De juridische grondslag van de methode is altijd betwist. De Utrechtse casus van 1995 waarin bussen vol deelnemers aan een verboden demonstratie als ook onschuldige burgers uit de Utrechtse binnenstad naar het voetbalstadion Galgewaard werden afgevoerd om daar een aantal uren te worden vastgehouden, toont aan dat schadevergoeding dan op zijn plaats is.

De inzet van de noodverordening is minder betwist. Toch valt te betwijfelen of een noodverordening en de hierin opgenomen algemene demonstratieverboden op hun plaats zijn. De Wet openbare manifestaties bevat een speciale regeling die het mogelijk maakt betogingen te verbieden. Nadeel van deze regeling is dat de burgemeester bij elke aangemelde (en niet-aangemelde) betoging een individuele beslissing moet nemen waarom en wanneer hij de manifestatie niet wenst.

Een als serieuzer ervaren probleem is dat de grondrechten vaak in het gedrang komen. In het Amsterdamse geval: de vrijheid van betogen en het recht op bewegingsvrijheid. De wettelijke basis van een noodverordening is op zichzelf duidelijk. De Gemeentewet geeft de burgemeester de bevoegdheid om (bij vrees voor) ernstige ordeverstoringen of gevaarlijke situaties noodmaatregelen te nemen. Maar uitsluitend indien hij zo'n toestand niet met gewone middelen kan opheffen.

De inhoud van de noodverordening mag niet afwijken van de Grondwet. Dit betekent dat een dergelijke verordening alléén het recht tot betoging mag beperken op een manier die overeenstemt met de bedoeling van de grondwetgever. Tot nu toe neemt de rechter aan dat noodmaatregelen tegen demonstraties met als doel het voorkomen van ernstige wanordelijkheden conform de Grondwet zijn.

En het recht op bewegingsvrijheid dan? Daarmee is het nog droeviger gesteld. In 1983 is bewust afgezien van het opnemen van dit recht in de Grondwet. Wel is het in verdragen vastgelegd, maar de beperkingsmogelijkheden zijn zeer ruim. De rechter wijst een beroep hierop om die reden bijna altijd af. Dat begon al bij de inhuldiging van Beatrix, toen iemand zich verzette tegen de afsluiting van de Dam. Ook de noodmaatregelen van burgemeester Patijn zullen de rechterlijke toets ongetwijfeld doorstaan.

De werkelijke pijn in Amsterdam zit dan ook niet in de toepassing van de noodverordening maar in het optreden van de Amsterdamse politie. Die zette op oneigenlijke wijze strafvorderlijke bevoegdheden in, ter handhaving van de openbare orde, toen bleek dat de noodverordening onvoldoende soelaas bood. Overtreding van zo'n verordening biedt geen mogelijkheid om potentiële raddraaiers enige dagen van de straat te houden. Wij veronderstellen dat justitie om deze reden demonstranten als verdachten aanmerkte, in de zin van art. 140 Wetboek van Strafrecht. Dit artikel stelt deelname aan een criminele organisatie strafbaar en maakte voorlopige hechtenis toelaatbaar.

Voorzover de feiten nu bekend zijn, lijkt de keuze voor deze strafbepaling slechts een stok om de hond te slaan. Te begrijpen valt zoiets misschien nog wel, maar goed te keuren allerminst. Misbruik van strafprocessuele bevoegdheden is nooit toegelaten dus ook niet als middel tegen 'autonomen' en 'chaoten'.