Nicolas Cage

In een serie profielen van gezichtsbepalende filmsterren deze week Nicolas Cage, de blanke pit zonder echt ruwe bolster die nu te zien is in de actiethriller 'Con Air'.

“De universiteit heb ik nooit gehaald”, zei Nicolas Cage vorig jaar, toen hij voor zijn rol als dronkaard in Leaving Las Vegas een Oscar kreeg uitgereikt. “Maar dit is mijn diploma.”

Nicolas Cage, geboren Nicholas Kim Coppola, heeft er een half leven over gedaan om zijn gedroomde eredoctoraat te behalen. Nadat hij op zijn zestiende van school was gegaan, deed hij los-vast tv-werk tot hij door regisseuse Amy Heckerling gevraagd werd voor een klein rolletje in Fast Times at Ridgemont High (1982), de schoolfilm waarin ook andere jonge beginners als Sean Penn, Jennifer Jason Leigh, Forest Whitaker en Eric Stoltz acteerden. Daarna speelde hij drie keer in een film van zijn oom Francis Ford Coppola: Rumble Fish, The Cotton Club en Peggy Sue Got Married (tegenover Kathleen Turner). Zijn naam had hij toen al veranderd in Cage, want hij wilde alleen op zijn eigen verdiensten beoordeeld worden.

De gemakkelijkste weg was nooit de lievelingsroute van Nicolas Cage (Long Beach, Californië, 7 januari 1964). Legendarisch zijn de verhalen over het fanatisme waarmee hij zich op zijn rollen stort. Zo liet hij twee tanden trekken voor Birdy (Alan Parker, 1984), om dezelfde pijn te voelen als zijn personage, een Vietnamveteraan. Tijdens de opnamen voor Vampire's Kiss (Robert Bierman, 1989) at hij onder meer een levende kakkerlak. En ter voorbereiding op Con Air, een actiethriller over een transportvliegtuig vol hoogstgevaarlijke gevangenen, liet hij zich een tijdje opsluiten in Folsom Prison bij Sacramento, waar hij ternauwernood ontsnapte aan een relletje op de binnenplaats.

Ook Cage's filmpersonages zijn geen gemakkelijke jongens. Of het nu de onverbeterlijke kruimeldief is in Raising Arizona! (Joel Coen, 1987), de gewelddadige romanticus in Wild at Heart (David Lynch, 1990), of de suïcidale alcoholicus in Leaving Las Vegas (Mike Figgis, 1995) - allemaal zijn ze gestoord of op zijn minst onberekenbaar. Cage geeft ze perfect gestalte: zijn leipe blauwe ogen en zijn vlezige lippen geven hem iets wreeds en wispelturigs, terwijl zijn uitstaande oren en zijn charmant wijkende haargrens duidelijk maken dat hij in zijn hart niet zo wild is als hij eruit ziet. Wie Moonstruck heeft gezien, met Cage als eenarmige pizzabakker op vrijersvoeten, kan zelfs nooit meer geloven dat hij tot iets slechts in staat is.

Dat laatste is het grote verschil met de andere Bad Boy van zijn generatie, Sean Penn. Nicolas Cage heeft te veel zelfspot en charme om een werkelijke ruwe bolster om zijn blanke pit te leggen. Geen wonder dat hij na het winnen van de Oscar - toen hij overstelpt werd met aanbiedingen - in The Rock en Con Air koos voor de rol van moreel onberispelijke actieheld. Volgend jaar zal hij zelfs te zien zijn als de opvolger van Christopher Reeve in de nieuwe Superman-film. Want, zoals Cage onderstreept in zijn post-Oscar-interviews: cynisme heeft te lang het witte doek beheerst - het is tijd voor een comeback van de Good Guys.