Grenzen aan de top

Het was precies 31 jaar geleden. In het centrum van Amsterdam speelden zich tonelen af als uit een burgeroorlog: het 'bouwvakkersoproer', dat na veel bestuurlijke verwikkelingen eindigde met het aftreden van burgemeester G. van Hall.

Daarna kreeg je de metrorellen, de gevechten in de Nieuwmarktbuurt die op 24 maart 1975 hun hoogtepunt bereikten. (Het had er voor Amsterdam Zuidoost niet goed uitgezien als 'dat lijntje' niet was aangelegd.) Tenslotte 30 april 1980, 'Geen woning geen kroning', het Waterloo van de kraakbeweging dat voornamelijk voortleeft dankzij De slag om de Blauwbrug van A.F.Th. van der Heijden.

Nu, ter gelegenheid van de Eurotop, zou de hoofdstad het centrum van Europees verzet worden, volwassen verzet, niet voortgekomen uit de hoofdstedelijke opvattingen over anarchisme. Werklozen van de grote mogendheden zijn opgetrokken om hier te demonsteren. Maar hoe nijpend de toestand waardoor de betogers op mars zijn gegaan ook mag zijn, ter plaatse aangekomen hebben ze niet meer dan een beleefde optocht gevormd. Op de Dam hief een delegatie van Duitse communisten de Internationale aan maar dit werd auditief weggevaagd door popmuziek uit de luidsprekers van de muziektent. Het 'lastige Amsterdam' heeft zich hoofdzakelijk bepaald tot plichtmatig gemopper, het ingooien van een paar ruiten en ludieke verkleedpartijen. Ten slotte zijn de eurobloemetjes op de Dam gesneuveld. De internationale oppositie heeft zich onder de top ontbonden, is in de feestelijkheden opgelost.

Valt daaruit iets af te leiden? Ten eerste, misschien, dat het de laatste jaren met de 'lastigheid' van Amsterdam wel meevalt. Tolerant blijft het hier. Maar men moet zijn gasten netjes kunnen ontvangen. Dat is een onderdeel van het 'imago' van het cosmopolitisme waarop Amsterdam zoveel prijs stelt. En of de Amsterdamse bevolking in meerderheid vóór of tegen Europa is, heeft men uit de gebeurtenissen op straat niet kunnen afleiden.

Onvrede over de massale werkloosheid in Duitsland en Frankrijk in de vorm van publieke demonstraties heeft de Eurotop niet kunnen bereiken. De regeringsleiders krijgen er pas last van als ze weer thuis zijn. Dit betekent dat er tegen de Europese constructies geen internationaal verzet is dat voortkomt uit Europese solidariteit. De Britse en Franse socialisten hebben hun verkiezingen gewonnen, en voor de Duitse zijn de kansen niet slecht. Maar een socialistische Euro-internationale zal uit deze nieuwe conjunctuur van links niet voortkomen. Links deelt zich op in nationaliteiten, moderniseert zich volgens Blair naar de eisen van de vrije markt, probeert zich opnieuw in de verzorgingsstaat in te graven volgens Jospin, weet het nog niet precies zoals in Duitsland, vervaagt in het poldermodel volgens onze paarse consensus. 'Europa' is, ook bij links waar de solidariteit een lange traditie heeft, geen internationaal ideaal maar een belang dat wordt bepaald door de verhoudingen binnen de onderscheiden naties. Daarom laat het 'sociaal Europa' zich dan ook ontbinden in factoren, in een verscheidenheid die even groot is als er leden van de Unie zijn.

Op zichzelf is dat merkwaardig. In alle lidstaten van de Unie bij elkaar zijn 18 miljoen mensen zonder werk; één op de tien Europeanen. Naar traditionele (of ouderwetse?) maatstaven gemeten, zou dit een enorm politiek potentieel moeten zijn, het reservoir voor een explosief Europees radicalisme. Misschien is het potentieel wel aanwezig maar het heeft geen organisatie, geen leiderschap die de beslissende instanties kan bereiken. Ondanks een zwakke schijn van het tegendeel, zoals in Amsterdam gewekt, blijft de oplossing van het grootste Europese vraagstuk een zaak van de nationale regeringen. Dan blijven dus ook de protestbewegingen nationaal en even verdeeld in hun programma's als de regeringen in hun oplossingen.

Naarmate de Europese integratie bij stukjes en beetjes vordert, neemt het verzet wel toe, maar het wordt ook moeilijker er een gemeenschappelijke noemer in te ontdekken. De enige kritiek die continuïteit heeft is die waarin wordt betoogd dat de krachten van de politieke integratie zichzelf overschatten; de nationale identiteiten zullen altijd sterker blijken te zijn. Dat is een kritiek die telkens gedeeltelijk gelijk heeft, zoals op de Amsterdamse top weer is gebleken.

Is het ook een kritiek die invloed heeft? Het is meestal meer een vorm van constaterende begeleiding, omdat de regeringen vanzelf wel de verdediging van het traditionele nationaal belang behartigen.

Een andere kritiek richt zich tegen de vervreemding: het bestuurlijk en politiek Europees apparaat zou hoe langer hoe meer uit regenten bestaan die het contact met de bevolking hebben verloren. Of het eerste waar is zou pas kunnen blijken als de integratie veel verder gevorderd zou zijn. En voorzover 'Brussel' een Europese machtsfactor is, kan het haast niet anders. Dat de afstand tussen het bureaucratisch centrum en het zeer grote gebied dat het beheert groter wordt, is een politiek natuurverschijnsel. Hetzelfde gebeurt in de onvergelijkelijk veel samenhangender Verenigde Staten, waar het protest tegen de 'arrogantie van Washington' in 1994 de revolutie van Newt Gingrich heeft veroorzaakt. (Een beweging die overigens aan slecht beheer ten onder is gegaan).

Als er al een regentendom in Brussel in aanbouw is, dan is de macht van de naties nog zo onmetelijk veel groter, dat een Europese verzetsbeweging daardoor de wind uit de zeilen wordt genomen. Als de macht van 'Brussel' tersluiks verder groeit, terwijl de parlementaire controle achterblijft, is het misschien over een jaar of tien zo ver.

De leuzen, de programma's tegen de vervreemding en de Europese regenten zijn hun tijd misschien vooruit. Het is ook best mogelijk dat ze overbodig zijn omdat de nationale regeringen zelf telkens weer op de grenzen van de integratie stuiten, zoals ze nu op de Top van Amsterdam is overkomen.