Genesis 24-27; De zintuigen van Isaak

Het ene bijbelse karakter is uitgesprokener dan het andere. In het geval van Isaak is de aanduiding 'karakter' misschien al te veel van het goede. Op de twee plaatsen waar Isaaks aanwezigheid onvergetelijk genoemd mag worden, heeft hij eigenlijk meer weg van een speelbal dan van een handelend persoon.

Het lijkt niet toevallig dat hij - als het onwetende en vooralsnog letterlijke slachtoffer dat Abraham God dient te brengen - nog maar een kind is; terwijl zijn tweede en laatste glansrol die van een door zijn vrouw en haar favoriete zoon misleide, door en door versleten oude man is.

Isaak lijkt nooit helemaal onder Abraham uit gekomen te zijn. Zijn huwelijk is in opdracht van de hoogbejaarde Abraham gearrangeerd door een knecht. Met Rebekka keert deze van zijn verre expeditie terug. Isaak, volgzaam, is gelukkig met haar. Rebekka wordt zwanger. “En de kinderen stieten in haar binnenste tegen elkander.” Rebekka vraagt zich af waarom. “Daarop ging zij om den HERE te vragen.” De oplettende lezer ziet aan dit ene zinnetje al meteen hoe initiatiefrijk zij is. Rebekka is de eerste vrouw in de bijbel die zich rechtstreeks tot God richt, en nog wel met een verzoek om informatie.

“Twee volken zijn in uw schoot”, zo krijgt zij te horen, “en twee natiën zullen zich scheiden uit uw lichaam; (-) en de oudste zal den jongste dienstbaar wezen.” Onnodig te zeggen dat het latere bedrog - door Rebekka en Jakob - hier reeds gelegitimeerd wordt door niemand minder dan de HERE zelf, want dit is niet minder de toon van een noodlottige voorspelling dan die van een belofte tot medewerking.

Esau, die als eerste te voorschijn komt, is 'rossig, geheel als een haren mantel'. Hij wordt een man 'ervaren in de jacht, een man van het veld', Jakob daarentegen 'een huiselijk man, die in tenten woonde. En Isaak had Esau lief, want wildbraad was naar zijn smaak, maar Rebekka had Jakob lief.' Ziedaar, in enige woorden, de conflictstof die schitterend uitgeserveerd zal worden. Eerst tussen de broers, daarna tussen de ouders - of liever tussen de bekwaam manipulerende moeder en haar man.

“Laat mij toch slokken van dat rode, dat rode daar, want ik ben moe.” Zoals de lezer zal weten, verkwanselt Esau, rammelend van de honger teruggekeerd van het veld, zijn eerstgeboorterecht aan Jakob, die toevallig net linzensoep heeft gekookt - moederskind als hij is. Dit gerecht fungeert ongetwijfeld mede als onderstreping van zijn mindere mannelijkheid, om zo te zeggen. Esau is immers nadrukkelijk de man van het zelfgejaagde wildbraad - het wildbraad waarmee hij ten slotte desondanks achter het net zal vissen.

Isaak, oud geworden, roept zijn oudste zoon bij zich: Esau moet op jacht gaan en een stuk wild schieten. “Bereid mij dan een smakelijk gerecht, zoals ik het gaarne heb, en breng het mij, opdat ik ete; dan zal ik u zegenen, eer ik sterf.” Rebekka hoort het. Zij is degene die het bedrog, door middel waarvan ook de vaderlijke zegen aan Esau ontfutseld zal worden, beraamt en regisseert. De geschiedenis is aangrijpend door het grondige en systematische gebruik dat gemaakt wordt van Isaaks versleten zintuigen. Of liever gezegd, van de vier zintuigen die hem nog resten. Want zijn blindheid vormt het uitgangspunt; dat hij niets meer ziet, staat als een paal boven water.

Rebekka gebiedt Jakob twee geitenbokjes te halen, die zij dan zelf bereiden zal 'zoals hij het gaarne heeft'. Daarna zal hij gezegend worden, zegt ze. Jakob protesteert: “Zie, mijn broeder Esau is een ruig man, en ik ben een onbehaard man. Misschien zal mijn vader mij betasten (-) en ik zal vloek over mij brengen en geen zegen.” Doe nou maar wat ik zeg, aldus ongeveer Rebekka, het komt wel goed. Zij laat Jakob de vellen van de geitenbokjes 'over zijn handen en over zijn gladden hals' trekken, en steekt hem bovendien in de kleren van zijn broer. Nu volgt de toets der, alles bijeengenomen, niet langer voldoende zintuigen.

De vervalste zoon komt bij zijn vader binnen met het vervalste wildbraad en liegt er op los dat het een lieve lust is. De vader - eerste zweem van argwaan - uit zijn verrassing over het spoedige succes van de jacht. “En hij (Jakob dus) zeide: omdat de HERE, uw God, mij deed slagen.” Vervolgens, zweem twee, wil de vader de zoon, zoals door deze voorzien, betasten. “En hij zeide: De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn Esau's handen.” Zijn gehoor is dus niet zo slecht als zijn tastzin. Hij aarzelt opnieuw: “Zijt gij inderdaad mijn zoon Esau zelf? En hij (Jakob) zeide: Ja.” Daarop zet de vader zich aan de maaltijd; blijkbaar niet meer in staat tot een scherp onderscheid tussen het ene favoriete gerecht en het andere, want daarover horen we hem niet. Na de maaltijd vraagt de vader zijn zoon dichterbij te komen en kust hij hem. “Toen hij den geur van zijn klederen rook, zegende hij hem en zeide: Zie de geur van mijn zoon is als de geur van het veld, dat de HERE gezegend heeft.”

Voor de daaropvolgende scène van de terugkeer van Esau, die op zijn beurt met de door hem bereide maaltijd nietsvermoedend entree maakt, en tot driemaal toe vergeefs de zegen afsmeekt, moge ik de lezer verwijzen naar Gen. 27:30-40. Het is de firma List en Bedrog die Gods zegen krijgt.