Dichters zien New York vooral duister

ROTTERDAM, 18 JUNI. Het moet afschuwelijk zijn om in New York te wonen. Tenminste, als je de poëzie die over die stad geschreven is moet geloven. Gisteravond werd op Poetry International in de kleine zaal een door de Amerikaan Eliot Weinberger samengesteld programma gebracht, onder de titel Dichter in New York.

Weinberger deed krasse uitspraken in zijn inleiding: 'Who hasn't lived in New York, hasn't lived in the modern world', en 'New York is identical with the modern poem'. Het riep de verwachting op dat een deel van de gedichten een lofzang zou zijn op New York, de tot architectuur gestolde moderne tijd.

Dat viel tegen. Slechts in vijf van de twintig gedichten viel een lovende of minstens neutrale toon te bespeuren. Een daarvan was de prachtige ode aan de Brooklyn Bridge van Majakovsky. De gedichten moesten in hun geheel een dag verbeelden, van dageraad tot maneschijn, maar het leek wel of New York in een voortdurende morele duisternis verkeert. 'Daglicht komt om in kettingen en razen', klonk het in het sombere, prachtige gedicht Dageraad van Federico Garcia Lorca, voorgelezen door Clinty Thuyls. Een gedicht van Shuntaro Tanikawa, voorgelezen door Peter Sonneveld, eindigde met de pathetische vraag: 'Zou er nog hoop zijn voor de mens, zoals hij is?' Nee, niet als hij in New York woont.

Het tweede gedeelte van de avond in de grote zaal begon met Huub Beurskens. Hij las O., een kleine rhapsodie, waarschijnlijk geïnspireerd door een vakantie in Griekenland. De gedichten werden aan elkaar gebreid met verhalende passages, voorgelezen door broer Geert Beurskens. Beurskens las het prachtige gedicht Een stervende slang. De slang ligt op de weg en probeert zich tegelijkertijd aan de dood en het leven te ontwringen. De dichter aarzelt of hij het beestje uit zijn lijden zal verlossen, en vraagt: 'Kan lafheid ook wreedheid zijn?' Het beest geeft de geest, en de dichter loopt verder, om als gluurder verjaagd te worden door een paartje dat als slangen ineengekronkeld op het strand ligt.

Vincent Oliphant, een wiskundige uit Zuid-Afrika, besloot de avond. Hij las een gedicht dat hij in Rotterdam schreef, Liefdesbrief aan Rotterdam. In de vertaling van Robert Dorsman: 'Het donker in zijn omhelzing vouwt het daglicht langzaam dicht / lantaarnpalen hangen aan hun voeten in het water, duizelig / en stemmen klateren uit glazen open monden / beschonken schaterlach klinkt uit het donker op / en ik, ik drink bezwijmeld aan je lippen.'