Abstracte Wagner wel zo aangenaam

Concert: Chamber Orchestra of Europe o.l.v. Bernard Haitink. Werken van Mozart, Wagner en Brahms. Gehoord: 16/6 Concertgebouw Amsterdam.

Je zou er Euroscepticus van worden: Amsterdam vanwege de Europtop noodgedwongen binnenrijden via het Europaplein om er in het Concertgebouw - even de slechtst bereikbare concertzaal van Europa - te luisteren naar het Chamber Orchestra of Europe. Noem het toeval of perfecte timing; een beter decor kon het kamerorkest van de Europese gemeenschap zich nauwelijks wensen. Maar veel bezoekers kwamen met vertraging de zaal binnen.

Het ruim vijftien jaar geleden opgerichte Chamber Orchestra of Europe is een gezelschap dat enkele maanden per jaar bestaat als kamerorkest. De leden zijn met name Engelse, Duitse en Scandinavische musici, die veelal eerder in het European Community Youth Orchestra hebben gespeeld. Een chefdirigent heeft het orkest niet; regelmatig werd gewerkt met beroemde dirigenten als Claudio Abbado of Nikolaus Harnoncourt. De huidige tournee wordt geleid door Bernard Haitink, voormalig chefdirigent van het Concertgebouworkest en momenteel muzikaal directeur van The Royal Opera House Covent Garden in Londen.

Dat de vertolking van Wagners Wesendonck-Lieder het boeiendste programmaonderdeel was, heeft veel te maken met Haitinks nieuwe specialisme, de opera. Haitink voorzag de sterk chromatische zanglijnen en de hijgende syncopen die de Amerikaanse mezzosopraan Michelle DeYoung op gezag van Wagner moet zingen van een hechte begeleiding, overwegend helder van klank, soms zelfs on-Wagneriaans broos. DeYoung had moeite met een enkele topnoot en haar dictie was zo onduidelijk dat de muziek erdoor aan abstractie won, wat op zichzelf beschouwd een aangename bijkomstigheid is. Het traceren van de muzikale anticipaties op Tristan und Isolde of Der Ring des Nibelungen schenkt meer genoegen dan de gedichten van Mathilde Wesendonck.

De totaalklank van het Chamber Orchestra of Europe is aangenaam diafaan. Wat het meest opvalt aan het orkest is dat het een intens homogene cello-groep heeft. De fluiten mengen niet altijd optimaal; de hoorns hobbelden soms wat achter de feiten aan.

Het concert begon sterk met Mozarts Haffner-symfonie. Subtiel opgerekte momenten van rust en fraai naar voren gehaalde lijntjes van het hout kenmerkten het Allegro con spirito. In het Andante verleidde Haitink het kamerorkest tot ronde fraseringen en de Finale was strak, dynamisch contrastrijk en haast onberispelijk. Het concert ging echter als een nachtkaars uit met de Eerste serenade van Brahms, een jeugdwerk dat in orkestratie en sfeer sterk leunt op met name Beethoven (Zesde symfonie). Het eerste deel werd goed geproportioneerd opgebouwd vanuit de boertige motieven. Maar deze Serenade resulteert steevast (mede door de vele herhalingen) in een wijdlopige en zompige aangelegenheid, waarin ook Haitink geen spanning vermocht te brengen.