'Project bollenteelt wèl succesvol'

KLOOSTERBUREN, 17 JUNI. Bloemen en bloembollen bieden akkerbouwers meer perspectief dan de pootaardappelen, graan en suikerbieten. Met die veronderstelling is bijna twee jaar geleden het Trainingscentrum Bollenteelt in het Groningse Kloosterburen opgericht.

Van de eerste vijftien cursisten hebben elf inmiddels vergevorderde plannen om met bollenteelt verder te gaan.

“Dan is het toch nu al een succes. Het trainingscentrum voorziet zeker in een behoefte”, zegt initiator D. Osinga.

Het Trainingscentrum Bollenteelt is een van de door de Algemene Rekenkamer aangehaalde projecten waarvan moeilijk te meten is of ze bijdragen aan de regionale ontwikkeling.

De mate waarin deelnemers slagen om een eigen bollenbedrijf te starten en het ontstaan van een infrastructuur voor bollenteelt in het noorden worden in de projectbeschrijving de succesindicatoren genoemd. Maar volgens de Rekenkamer wordt in het projectdossier aan deze indicatoren te weinig aandacht besteed.

Het Trainingscentrum Bollenteelt is twee geleden met ruim drie ton aan Europees geld opgericht. Akkerbouwers uit de gemeenten De Marne en Dongeradeel, die geheel of gedeeltelijk willen omschakelen op bollenteelt, krijgen hier hun opleiding en begeleiding bij het opstellen van een bedrijfsplan. Het centrum is opgezet als een voorbeeldbedrijf dat de cursisten gezamenlijk moeten runnen. De deelnemers investeren zelf enkele tienduizenden guldens, maar als ze het goed doen kunnen ze geld terugverdienen.

Vorig jaar kweekte het centrum 900.000 tulpen. De verwachting is dat dit jaar de maximum-capaciteit van de kassen benut zal worden en anderhalf miljoen tulpen worden verbouwd.

Initiator Osinga, docent aan het Agrarisch Opleidingscentrum in Leeuwarden, is het oneens met de bevinding van de Rekenkamer dat het succes van het project moeilijk te meten is.

“Misschien hebben we er in het projectdossier te weinig aandacht aan besteed, maar aan een aantal objectieve criteria is te zien welke effecten er zijn. Nu al kunnen we zien dat het landbouwareaal voor bollenteelt in Groningen en Friesland groeit en het aantal telers toeneemt.” Osinga wijst er op dat de Rekenkamer alleen maar naar de totstandkoming van het project heeft gekeken en niet naar de uitvoering.

Hij is er zeker van dat de noordelijke regio van het trainingscentrum zal profiteren, omdat akkerbouwers er nieuwe perspectieven mee wordt geboden. Voor bloemen en bloembollen bestaat een grote, groeiende markt. In het westen van het land lopen de telers steeds meer tegen ruimtegebrek en strenge milieueisen aan. In het noorden is juist nog veel ruimte voor ontwikkelingen in deze bedrijfstak.

Medewerker landbouw J. Visser van de provincie Groningen is er “absoluut van overtuigd” dat het Trainingscentrum Bollenteelt een goed project is.

In het algemeen wil de mate van vrijblijvendheid bij volledig gesubsidieerde projecten volgens haar nog wel eens groot zijn. “Maar dat is hier zeker niet het geval. De deelnemers krijgen niets op een presenteerblaadje. Ze tekenen een contract waarin hun bijdrage duidelijk staat omschreven. Ze moeten gezamenlijk het proefbedrijf draaiende houden. Eén deelnemer is er door zijn collega's al uitgegooid.”

Visser erkent dat het succes van stimuleringsprojecten in de landbouw vaak moeilijk te meten is. “Pas over een aantal jaren kan je zien of er boeren zijn die met de bollenteelt iets verdienen en of hun hogere inkomen helemaal aan de bollenteelt is toe te schrijven. De vraag is dan natuurlijk altijd in hoeverre het trainingscentrum hieraan heeft bijgedragen.”