Oorlogsvoetbal

Samen met een splinternieuwe vriendin en twintigduizend andere min of meer Hagenaars, vijfduizend Delftenaren en vijfentwintigduizend Rotterdammers zat ik op 27 april 1941 in het Feyenoord-stadion te kijken naar een beslissingswedstrijd om het westelijk kampioenschap tussen ADO en DHC.

Hoe ik aan die toegangskaarten ben gekomen, is niet meer na te gaan, maar ik zat daar pontificaal. Omdat het boek van Nick Hornby dat ik vorige week noemde nog niet geschreven was, kon ik ook niet bang zijn in dezelfde perikelen te raken als Hornby. Zijn vriendin was eindelijk eens meegegaan naar een wedstrijd van Arsenal en dermate high geworden van de spanning dat ze midden in een bloedstollende situatie voor het doel van Arsenal flauwviel. Dat kwam Hornby zo slecht uit dat hij haar korzelig opzij schoof en overliet aan een vriendin van de dame. Hornby zelf mocht zijn aandacht niet van het spelletje afhouden. Nee, de mijne zat stralend naast mij, al stoorde het mij wel dat ik steeds de spelregels moest uitleggen. Voetbal was toen nog echt een mannensport.

Een van de redenen om deze beslissingswedstrijd vooral niet te willen missen, had te maken met het vorige duel dat een of twee weken tevoren ook in Rotterdam was gespeeld, maar dan op Spangen. Mijn hart was voor ADO, maar DHC was een tikkeltje beter en had pech dat de winnende treffer van de Delftenaren door de mannetjesputter-scheidsrechter Van Welzenes werd afgekeurd. En niet ergens halverwege de match, maar vrijwel samenvallend met het eindsignaal! Nooit eerder meegemaakt. Ben van Ditmars, de aanvoerder van DHC, had de bal onhoudbaar ingeschoten. ADO dacht dat alles verloren was en doelman Willem Koek stond huilend tegen een doelpaal geleund. Duizenden DHC-aanhangers sprongen over de niet onneembare hekken het veld op en namen hun spelers in triomf op de schouders. En Aad van Welzenes maar armgebarend en hoofdschuddend temidden van die bijna hysterische massa rondlopen, verklarend dat hij tevoren had afgefloten en dat de goal dus naar de eeuwige jachtvelden vol vergeefse doelpunten moest worden verwezen. Van Welzenes was zo'n man van 'tijd is tijd'. Het lijkt me zelfs mogelijk dat die bal van Ditmars al onderweg was (maar nog niet de doellijn gepasseerd) en dat de onpartijdige toen floot. Niemand hoorde dat eindsignaal en zo was een drama geboren, zij het niet voor ADO.

Alles moest dus over en nu waren de Hagenaren de sterkeren. Joop Eversteyn scoorde 1-0, DHC kwam terug, maar een heel klein linksbuitentje, Wim Neuteboom, scoorde 2-1 voor de Hagenaars en David Westhoven kogelde nummer drie in de touwen (ja, het waren toen nog touwen). Dat was twee maanden voordat Hitler zijn gewapende scharen richting Rusland stuurde en met de wetenschap die je nu hebt, vraag je je af hoe het mogelijk was dat zo'n voetbalduel tussen Hagenaars en Delftenaren zoveel mensen in vuur en vlam kon zetten. Even de oorlog vergeten? Intussen stond ADO al min of meer als een NSB-club bekend. Die beschuldiging berustte vooral op het enkele feit dat er één speler van het elftal duidelijke NSB-sympathieën had: Gerrie Vreeken, de rechtsbuiten. Het jaar daarop werd ADO landskampioen en tijdens de receptie werd een foto van het juichende team gemaakt. Die stond de volgende dag in de krant, waarop de bezettingsautoriteiten het bestuur op het matje riepen. Ze waren woedend. Drie spelers hadden op die foto een arm met gebalde vuist omhoog gestoken. Volgens de Duitsers was dat een communistische groet. Ze dreigden de hele club op te heffen, maar namen tenslotte genoegen met de opbrengst van een vriendschappelijke match tegen stadgenoot HBS. Achtentwintighonderd gulden was de opbrengst en die kwam ten goede aan 'winterhulp'. Zwak punt bij ADO was intussen dat ook twee bestuursleden NSB-sympathieën hadden.

Hoe ruim tien jaar later de kaarten heel anders lagen, blijkt uit de opstelling van het Nederlands elftal voor buitenlandse profs dat in Parijs onder grote waardering van het Nederlandse volk de Watersnoodwedstrijd speelde. Daarin stond ene Gerrie Vreeken doodgewoon opgesteld. Zo niet vergeten, dan was er in elk geval royaal vergeven.