Onder Lubbers begon de 'ontpoldering'

Hebben we aan het CDA het poldermodel te danken? Ja, meent Kees Versteegh, maar evenzeer de vele aanslagen op het Hollandse model.

Je moet maar durven: een kind dat je een paar jaar geleden hebt verstoten weer in genade aannemen, en een ander kritiseren om de manier waarop hij in de tussentijd naar het weeskind heeft omgekeken.

Toch is dat precies wat CDA-ideoloog mr.dr. J.P. Balkenende in zijn artikel (NRC Handelsblad, 3 juni) over het zogeheten 'poldermodel' doet. De term verwijst naar de typisch Nederlandse overlegtraditie tussen overheid, werkgevers en werknemers. De afspraken omtrent een jarenlange loonmatiging die dat overleg heeft opgeleverd, zouden aan de wieg staan van het huidige economische succes.

Balkenende, oud-medewerker van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, hoogleraar aan de Vrije Universiteit, en mogelijk kandidaat voor de Tweede Kamer, gedraagt zich als één van de spreekwoordelijke vaders van dat succes. In zijn bijdrage eist hij een belangrijke rol op voor de christelijk-sociale traditie in de wording van het overlegmodel. Bovendien verwijt hij paars onzorgvuldig met het kwetsbare kindje om te gaan. Het poldermodel is eerder ondanks dan dankzij 'paars' een succes geworden, zo schrijft hij.

Met deze stellingen demonstreert Balkenende een opvallend selectief geheugen. Het was weliswaar zijn eigen politieke stroming die het verzuilde overlegstelsel, samen met sociaal-democraten en liberalen, hielp opbouwen. In de laatste vijftien jaar hebben de christen-democraten echter veel gedaan om, bewust of onbewust, datzelfde stelsel om zeep te helpen. Dat maakt Balkenende's kritiek op de omgang van paars met het overlegmodel ongeloofwaardig.

Het is nog maar een paar jaar geleden dat overleg in Balkenende's eigen partij vrijwel synoniem was voor stroperigheid en ondoorzichtigheid. Vooral de toenmalige CDA-fractieleider Elco Brinkman maakte zich tot tolk van de kritiek op het trage tempo waarmee besluitvorming in Nederland tot stand kwam. Het zou, dacht men, kunnen leiden tot een achterstand in de internationale economische ratrace. “In de kern gaat het hierom: korter en sneller besluiten”, zo besloot Brinkman zijn befaamde Texelse rede van februari 1992.

Brinkmans fractiegenoot G. de Jong voegde een jaar later de daad bij het woord. Als onderdeel van de staatkundige vernieuwingsdiscussie deed hij verregaande voorstellen voor een opschoning van het advies- en overlegcircuit. De Kamercommissie waaraan De Jong leiding gaf, bekritiseerde de grijze kluwen van inspraak-, advies- en medezeggenschapsorganen waarin de overheid verstrikt was geraakt. Een scherpere scheiding tusen inspraak en advies vond de commisie broodnodig. Na het nodige protest van sociale partners, andere belangengroepen en christen-democraten oude-stijl zoals de ARP'er Wim Aantjes (toenmalig voorzitter van de Kampeerraad), werd het aantal adviesraden teruggebracht tot in principe één per departement.

Een andere episode die de relatie tussen CDA en het maatschappelijk overlegcircuit geen goed deed, waren de ingrepen in de WAO. Het derde kabinet-Lubbers wilde aanvankelijk, en Brinkman later nog steeds, op bestaande WAO-gevallen bezuinigen. Daarmee deden ze iets wat in verzekeringsland geldt als een doodzonde: ingrijpen in de lopende polisvoorwaarden. De besluitvorming werd zo het tegendeel van de 'betrouwbaarheid' die Balkenende een essentiële voorwaarde noemt voor een goed functionerend overlegmodel.

De periode-Brinkman was geen kortstondige uitzondering op de CDA-politiek jegens de overlegeconomie. De ontpoldering van Nederland was al door het eerste kabinet-Lubbers ter hand genomen. Vanaf 1982 trok dat ten strijde tegen de overlegpartners, gedwongen door een almaar slechter functionerende economie. Om de overheidsfinanciën weer in de hand te krijgen, kortte het kabinet ambtenarensalarisen met 3 procent. Jonge, aankomende leraren gingen op voorstel van de christen-democraat Deetman veel minder verdienen dan even jonge, maar reeds zittende leerkrachten. CDA-staatssecretaris De Graaf bracht de WAO en de WW-uitkering met 5 tot 10 procent omlaag.

De sanering van de verzorgingsstaat die het fundament legde van het economische succes van Nederland, kwam neer op oorlogvoering tegen de polderpartners als vakbonden en onderwijsbonden die tegen de ingrepen te hoop liepen. Om met een variant op Balkenende te spreken: het economisch succes kwam eerder ondanks dan dankzij het poldermodel tot stand.

Balkenende realiseert zich overigens het bestaan van die ingrepen. Hij noemt ze 'beleidconfronterende maatregelen' en schrijft: “Het Nederlandse model is zeker niet altijd het toonbeeld van harmonie geweest”.

Dat is zacht uitgedrukt. In feite kraakten de ingrepen van Lubbers cum suis het naoorlogse pacificatiemodel dat christelijke voorlieden als Romme, Veldkamp en Schmelzer hadden ontwikkeld. Van de tevreden samenwerking tussen overheid enerzijds en de verzuilde coalitie van maatschappelijke organisaties als sociale partners, boerenbonden, en onderwijsorganisaties anderzijds bleef onder hem weinig over. In mei 1995, dertien jaar na zijn aantreden als premier, toonde Lubbers in een toespraak voor partijgenoten in Den Haag berouw over de uitwerking van zijn succesvolle economische politiek op het ideologisch fundament van de christen-democratie. Toen was het echter te laat.

In het licht van deze voorgeschiedenis is het zeer de vraag of er anno 1997 überhaupt nog zoiets als een overlegmodel, poldermodel of Hollands model bestaat. De termen suggereren een weldadige rust die niet overeenkomt met de politiek-bestuurlijke werkelijkheid van dit moment. Minister Van Aartsen ligt regelmatig overhoop met boerenbonden, of het nu over de mest is of over de pest. Rotterdam heeft zijn portie poldermodel wel gehad. Acht maanden van overleg tussen politiebonden en korpschef Brinkman, leverde een vertrouwenscrisis op, waaraan heel Nederland zich nu al een paar weken kan vergapen.

Voorzover er nog van overleg sprake is, concentreert dat zich op het economisch vlak en, daarbinnen, vooral op CAO-afspraken. Het belang van centraal overleg is de laatste jaren afgenomen. Werkgevers en werkgevers doen steeds vaker zaken met elkaar op regionaal niveau. Topmanagers en vakbondsbestuurders lopen binnen bij ministeries om afspraken te maken, soms zelfs met ministers zelf. Ritzen onderhandelt met de NS over de OV-jaarkaart, Jorritsma met Schiphol over de uitbreiding van de luchthaven.

Ook vanuit Europees economisch perspectief valt er een belangrijke kanttekening te plaatsen bij het poldermodel. Als filiaal van Brussel functioneert Den Haag niet goed, zo bewees woensdag het Tweede Kamerdebat over de zogeheten Securitel-affaire. Het niet-aanmelden van honderden regels en wetten bij de Europese commissie schreef minister Wijers onder meer toe aan de “decentrale organisatie” van de rijksoverheid. De vele overlegircuits die de samenhang van beleid moeten bewaken, ontberen een duidelijk aanspreekpunt voor Brussel.

“Wat onze kracht naar binnen is, is tegelijk onze zwakte naar buiten, naar Europa”, zei GPV'er Van Middelkoop in een reactie op Wijers. Gezien het toenemend belang van Europese regelgeving voor de nationale politiek, is dat een gegeven waar niemand trots op kan zijn, ook Balkenende niet.