Nut projecten platteland is onduidelijk

DEN HAAG, 17 JUNI. Het is niet duidelijk of Nederlandse plattelandsprojecten die worden uitgevoerd met 300 miljoen gulden aan Europese subsidies werkelijk bijdragen tot de ontwikkeling van de betreffende regio's. Dat schrijft de Algemene Rekenkamer in een rapport over de Europese subsidies.

De Rekenkamer onderzocht 95 projecten in Groningen, Drenthe, Friesland, Overijssel, Limburg en Zeeland. Het rapport is vandaag naar de Tweede Kamer gestuurd.

Het gaat bij het plattelandsprogramma bijvoorbeeld om projecten tegen de verdroging van Mariapeel in Limburg, de bedrijfshuisvesting in kleine Friese dorpen, de bosbeheer-scholing in de noordelijke provincies of de ontwikkeling van een automatisch melksysteem door robots in de Zeeuwse plaats Cadzand ter vernieuwing van de landbouw in Zeeuws-Vlaanderen.

Doel van de projecten is de plattelandsregio's verder te ontwikkelen en de werkgelegenheid te verbeteren. Volgens de onderzoekers van de Rekenkamer is de situatie in de regio's aan het begin van de uitvoering van het project onvoldoende bekend. De selectie van projecten is in veel gevallen weinig inzichtelijk. Afspraken voor onafhankelijke evaluaties ontbreken, aldus de Rekenkamer.

De Rekenkamer vindt dat de ministeries van Landbouw, Economische Zaken en Sociale Zaken zich actiever zouden moeten opstellen bij de verbetering van de tekortkomingen in de voorbereiding van projecten.

Zij moeten er beter op toezien dat het Europese geld effectief wordt gebruikt, aldus de Algemene Rekenkamer. Eén van de redenen is de snelheid waarmee de projecten in 1994 zijn opgezet.

Met name minister Melkert (Sociale Zaken) moet zich meer bemoeien met de projecten, vindt de Rekenkamer. “Het ministerie nam niet deel aan de besluitvorming, noch gaf het op andere wijze actief invulling aan de ministeriële verantwoordelijkheid”, aldus het rapport.

Melkert voert aan dat het beleid is gedecentraliseerd en vindt dat een grotere betrokkenheid van zijn departement daarom niet aan de orde is.

De Rekenkamer is het daar niet mee eens. Die vindt dat een directere betrokkenheid wel gewenst is omdat de nationale overheid op grond van het EG-verdrag verantwoordelijk is voor eventuele overtreding van regels door decentrale organen.