Krim-Tataren: een moeizame terugkeer

Stalin deporteerde de Krim-Tataren naar Centraal-Azië. Sinds 1989 zijn 250.000 Tataren naar de Krim teruggekeerd. Ze kraken land en bouwen hun huizen. Die terugkeer leidt tot spanningen en angst bij hun Oekraïense en Russische buren. Een botsing van culturen.

SIMFEROPOL, 17 JUNI. Op een ochtend in april was Olga Gartsjenko voor het eerst in haar leven wakker geworden van het gezang van een mullah. Ze wist dat haar overburen, een groep van tweeduizend Krim-Tataren, op een gekraakt kolchozeveld een moskee aan het bouwen waren. Er was een zeshoekig gebouwtje verrezen met een dak van zinkplaat, en toen de laatste sneeuw gesmolten was, verschenen er vier luidsprekertjes aan de minaret. Maar dat daaruit de muezzin zou klinken, dat had Olga niet verwacht.

Eigenlijk wist zij, net als de meeste Russen en Oekraïeners in haar flat, bijna niets van 'de landkrakers' aan de overkant. Toen hun wijk tien jaar geleden werd opgeleverd, als de laatste Sovjet-agglomeratie van Simferopol, de hoofdstad van de Krim, was de kolchoz Doepki nog volop in bedrijf. Maar zeven jaar geleden streken ineens de eerste Tataren neer op de geploegde akkers.

Ze kwamen uit Oezbekistan, drieduizend kilometer naar het oosten, waar ze vijftig jaar in ballingschap hadden doorgebracht. Na de Tweede Wereldoorlog waren de Krim-Tataren, de nazaten van de Mongoolse hordes van de veldheer Dzjengis Chan, collectief door Stalin op transport gesteld, op verdenking van collaboratie met de Duitsers.

Olga kende hun geschiedenis nauwelijks. Op de universiteit, waar ze Engels doceerde, werd er nooit over gesproken. En vanaf 1991, na de mislukte coup tegen Gorbatsjov, had ze andere zorgen aan haar hoofd: van de ene op de andere dag woonde ze als Russin in een vreemd land, de Oekraïne, dat zich onafhankelijk had verklaard. Haar geliefde soap, Santa Barbara, werd in het Oekraïens nagesynchroniseerd. Het jaar daarop sloeg de inflatie toe en kwam ze geld tekort om 's zomers bus 14 naar het strand te nemen.

Olga vond het unfair dat de Tataren ongestraft hun gang konden gaan: zonder toestemming begonnen ze lapjes grond af te palen en muurtjes op te trekken. Als zij dat kennelijk mogen, redeneerden de flatbewoners aan de Maarschalk Zjoekov-laan, waarom wij dan niet? Gewapend met allerlei soorten ijzerdraad en paaltjes begonnen ze hun eigen percelen af te bakenen, zogenaamd om er zomerhuisjes te bouwen.

Er ontstond een kortstondig gevecht om de grond, een botsing van culturen op microschaal. De autoriteiten lieten de bulldozers op de nederzetting los, maar gingen later over op een gedoogbeleid toen ze inzagen dat de islamitische Tataren, die met honderdduizenden naar hun geboortegrond terugkeerden, met geen mogelijkheid te stoppen waren.

Sjevket Alimov was een van de eerste landkrakers. In de zomer van 1990 had hij een vakantie op de Krim geboekt en was er gebleven om de overtocht van zijn vader (92) en moeder (85) voor te bereiden. “Het was hun grootste wens om hier te sterven”, vertelt Sjevket in zijn huisje van baksteen, leem en golfplaat.

Sjevket was zeven toen de deportatie begon. “Het regende die dag, de 17de mei 1944. Het was amper een maand na de bevrijding. Een rode soldaat ging van deur tot deur en zei dat we het huis niet uit mochten. We woonden in de Klaratsjelik-straat, in het centrum van Simferopol, waar mijn vader een kapperszaak had. 's Avonds kwam er een officier van het Rode Leger. Hij las een bevel voor. Het kwam erop neer dat we een half uur de tijd hadden om onze spullen te pakken. Alle Tataren moesten zich op straat verzamelen. Ik herinner me dat mijn broer en ik twee jassen over elkaar droegen. Toen we gingen lopen werd mijn vader uit de rij getrokken en apart afgevoerd. Pas een jaar later kregen we bericht dat hij was veroordeeld tot vijf jaar dwangarbeid in de mijnen van Vorkoeta. Wegens 'verraad aan het vaderland', maar dat was een leugen.

“Op het station van Simferopol werden we in veewagens geduwd. De reis duurde twaalf dagen. Omdat er niets te drinken was, stierven er mensen door uitdroging. Vooral oudjes. Toen we na vier dagen stopten om de doden uit te laden, konden we drinken. In Oezbekistan kregen mijn moeder, broer en ik een schuurtje op een katoenplantage. Maar we hadden geluk, want een zus van m'n moeder die als ingenieur in Tasjkent werkte, nam ons in huis. Mijn moeder moest huilen van blijdschap toen ze ons nieuwe onderkomen zag: een kamer van zeven vierkante meter voor ons drieën.

“M'n tante heeft ervoor gezorgd dat ik naar school kon. Na vijf jaar kregen we de eerste brieven van vader. Hij was vrij, maar mocht Vorkoeta niet verlaten. Dat duurde nog vijf jaar. Ik ben in dienst geweest, en daarna ben ik als elektriciën gaan werken in het ziekenhuis. Ik moest röntgenapparatuur repareren. Van het geld dat ik verdiende hebben we een huis gebouwd. Een goed huis, met water en stroom, alles.

“In de jaren zestig kregen we meer rechten. We mochten onze taal weer spreken en konden ongestraft de liedjes zingen die ik nog van de lagere school kende. Chroesjtsjov had onze deportatie veroordeeld als voorbeeld van de terreurdaden van Stalin. Verder veranderde er niets, ook al schreven veel Tataren een verzoek om te mogen terugkeren. Mijn vader heeft dat ook gedaan. Het zou tot 1989 duren voordat de eersten van ons de terugreis aandurfden.”

Uit een hutkoffer haalt Sjevket een certificaat tevoorschijn, dat blauw ziet van de stempels. Daarin staat dat Ahmet Alimov, kapper, destijds 'onrechtmatig' en 'zonder proces' is veroordeeld. De dagtekening: 24 februari 1992. In de koffer zit ook een versleten etui, waarin hij de kappersschaar van zijn vader bewaart, en een beduimelde koran ('van voor de revolutie'): de enige voorwerpen die niet verloren zijn gegaan tijdens de twee volksverhuizingen. Hij toont ook een overbelichte foto waarop Sjevket, 55 jaar oud, tussen zijn kromgegroeide ouders staat. Het drietal poseert voor een kaal huisje van leem, met op de achtergrond de imposante flatwijk van Simferopol. “In 1993 zijn ze kort na elkaar gestorven”, zegt Sjevket. “Ik heb ze hier kunnen begraven, op het islamitische kerkhof.”

Olga Gartsjenko is er stil van. Alleen omdat ze als tolk is ingehuurd was ze bereid de sloppenwijk van haar overburen te betreden. Ze drinkt van de thee die Sjevket heeft gezet. Hij nodigt haar uit om aardappels te poten in zijn moestuin. “Waarom niet? Ik kan wel een hoekje missen.” Olga bedankt beleefd; ze bloost. Eenmaal buiten schaamt ze zich voor de opmerking die ze eerder die middag heeft gemaakt: “De Tataren wonen in kasten van huizen, maar toch klagen ze steen en been.”

De eerste rij woningen ziet er inderdaad goed uit. Ze zijn ruimer dan haar tweekamerflat, die ze met haar dochter deelt, en hebben elektriciteit dat van de straatverlichting wordt afgetapt. Dieper in de nederzetting, waar Sjevket woont, staan halfafgebouwde huisjes zonder water, zonder riool. De paden zijn onverhard en modderig. Als er een ambulance is besteld, rent iemand naar de eindhalte van bus 14 om de chauffeur te loodsen, want straatnamen ontbreken in dit getto.

Op het eerste gezicht lijkt de scheidslijn tussen de wereld van Olga en die van Sjevket absoluut. Twee, drie jaar geleden leek het wantrouwen tussen beide gemeenschappen zo groot dat politici en hulpverleners waarschuwden voor 'een Bosnië-scenario': de spanning tussen de orthodoxe christenen en de moslims die aanspraak maken op dezelfde schaarse grond zou zich in geweld kunnen ontladen.

Gemengde huwelijken komen op de Krim niet voor. Maar in de handel verloopt de integratie van de Tataren voortvarend. Tussen de betonnen flats van Simferopol laden Tataarse kooplui kistjes dadels en meloenen uit een pick-up. Olga vertelt dat ze haar fruit niet meer bij de Russische winkel koopt, die onregelmatig open is, maar bij de Tataren. “Ze groeten me altijd en vragen hoe het met me gaat”, zegt ze. “Ze zijn beter gesorteerd en nog goedkoper ook.”

Toch is de dreiging nog niet uit de lucht. Aan de rand van Simferopol tekenen zich de contouren af van een nieuwe confrontatie. In een van de garageboxen van Olga's flat is een orthodoxe kerk gevestigd. Er is een klein altaar met plastic ikonen en een raampje van glas-in-lood. Op tafel bij de ingang staat een maquette van een nieuw te bouwen kerk, met een collectebus. De lokatie is al goedgekeurd: pal tegenover de moskee aan de overkant van de Maarschalk-Zjoekov-laan.