De muurschilderingen van Jean Cocteau aan de Riviera; Sint-Pieter en Django Reinhardt

“Ik jubel tussen de mandarijnbomen, de rozen, de anemonen en het decor dat niet is veranderd sedert Andromède...”, schreef Jean Cocteau toen hij in 1911, als assistent en scenarist van Diaghilevs Ballet Russe, de Riviera in zijn hart sloot.

Hij bleef er wonen, en liet er zijn sporen na. Veertig jaar geleden begon het dandyachtige multitalent aan de Franse zuidkust met de beschildering van de Chapelle Saint-Pierre in Villefranche-sur-Mer en die van de trouwzaal in het gemeentehuis van Menton. Ze zijn te vinden aan weerszijden van het vorstendom Monaco.

De beide werken worden gerekend tot het 'testamentaire' oeuvre van de kunstenaar, waartoe ook zijn film Le testament d'Orphée (1960) en het gedicht Requiem (1962) behoren. Tijdens zijn schilderwerk was Cocteau al bezig met zijn nalatenschap. Van burgemeester Palmero van Menton had hij gedaan gekregen dat het 17de-eeuwse bolwerk aan de oude haven tot Cocteau-museum werd bestemd. Cocteau was nauw betrokken bij het verbouwen en inrichten en maakte nog een gevelmozaïek voor 'Le Bastion', maar overleed drie jaar voor de opening.

De vesting herbergt een curieuze verzameling werk van Cocteau. Van affiches voor het Mentonees muziekfestival tot beschilderde vazen en borden, van tapijten met mythologische voorstellingen tot een schets van een gehoornde toreador. In de inrichting van het bouwwerk zowel als in het werk is de neiging naar symmetrie en schijnbaar achteloze esthetiek aanwezig; de thema's zijn eerst speels maar in zijn latere leven aanzienlijk zwartgalliger. Er hangt ook een tekening met opdracht van Picasso uit 1916 van een frêle, 27-jarige Cocteau en een van de kunstenaar op zijn sterfbed door Edouard Mac-Avoy.

Op de zaterdagmiddag dat ik het museum bezoek, kan ik, zo verneem ik van de lokettiste, de trouwzaal niet bezichtigen. Ik wandel toch maar in de richting van het Hôtel de Ville, een in roze opgetrokken villa in 19de-eeuwse Italiaanse stijl. Boven de deur rechts naast de ingang staat met sierlijke letters: Salle des Mariages. Maar belangrijker is: de deur staat op een kier. Ik duw hem open en kom in een tot de laatste stoel bezette zaal. Het publiek luistert naar een man achter het spreekgestoelte die de schilderingen bezingt. Hij wijst ons op Orpheus met zijn lier, in de onderwereld omringd door met pijl en boog uitgeruste centauren; zijn dode Euridice wordt even verderop door hellevegen weggevoerd. Recht boven ons hangt een levensgrote engel, terzijde gestaan door Eros en de gespierde Bellerophon op zijn gevleugelde paard Pegasus. Op de rechtermuur een hemels feest ter ere van de eeuwigdurende liefde.

Cocteau heeft zijn bijna stripachtige contouren, tegen pastelkleurige achtergronden, met steeds kleiner wordende kringen ingetekend, waardoor, als je er dichtbij gaat staan, iedere figuur, elke achtergrond van een labyrint lijkt te zijn voorzien. Voorin de zaal, achter het spreekgestoelte, kijkt een aldus bewerkt paar elkaar gelukzalig in de ogen. De gehele zaal ademt de dromerige sfeer van dit stadje, maar ook dragen de taferelen sporen van de mythologische afbeeldingen op hydria's en amfora's.

Ik koop voor 120 francs het rijk geïllustreerde essayistische werk Jean Cocteau et sa poésie graphique à Menton. De auteur is Louis N. Amoretti, dezelfde die zojuist de lezing hield en zich nu voor Cocteau's afbeeldingen door de plaatselijke pers laat fotograferen.

Nu wil ik ook de kapel van Saint-Pierre in Villefranche zien. De plaats is gebouwd als amfitheater, waarbij een vesting en de heuvels om de kleine baai als tribunes fungeren. Aan het haventje staat, vlakbij de vergane glorie van Hotel Welcome, het in beige tinten beschilderde Cocteau-kapelletje - ingeklemd tussen een politiebureau en café La Palette. Bovenop het bouwwerk prijkt een kruis van gestileerde vissen.

De eerste indruk in de kapel is overweldigend. Cocteau is hier minder decoratief, soberder te werk gegaan; de labyrintische invulling ontbreekt. Hierdoor wordt het strip-element in de schilderingen pregnanter; de klare lijn lijkt hier te zijn uitgevonden. De voorstellingen vertellen deels over de lotgevallen van Sint-Pieter en Pilatus, deels zijn ze een hommage aan vissersvrouwen van Villefranche en de zigeuners van Saintes-Maries-de-la-Mer. Dat moet destijds een gedurfde combinatie zijn geweest: de devotie van het bijbelverhaal letterlijk tegenover Django Reinhardt die op zijn gitaar een dansend meisje begeleidt. Op het altaar staan surrealistische, ook door Cocteau ontworpen kandelaars en een crucifix. Bij de entree heeft Cocteau op de muur geometrische figuren aangebracht, die gegroepeerd zijn rond een trompe-l'oeil-deur. Deze staat iets uit perspectief, met een vervreemdend effect voor wie even denkt rechtdoor naar buiten te kunnen lopen.

De vrouw bij de ingang vertelt geestdriftig over de jaarlijkse optocht van vissersboten, op 30 juni. Als alle vissers hebben aangelegd, wordt in de open lucht de mis opgedragen. Veertig jaar geleden gebeurde dat voor het eerst, en elk jaar worden hier nog tientallen huwelijken uit de vissersgemeenschap ingewijd, verzekert de vrouw. Cocteau had in de avond van zijn leven, hoe vermoeidend het werken op stellages ook voor hem was, plezier in het muurschilderen gekregen. In een brief aan Lord Beaverbrook zegt hij aan de aartsbisschop te hebben beloofd een schildering te maken in de Franse kerk in Londen. “Moge God ervoor zorgen dat mijn gezondheid me niet afhoudt van het genoegen mijn persoonlijke dankbaarheid aan Engeland uit te drukken.”

Cocteau beschilderde twee jaar later inderdaad de Chapelle de la Vierge, Notre-Dame de France in Londen. Zijn laatste schildering was in de Chapelle Saint-Blaise-des-Simples in Milly-La-Forêt, de plaats waar hij in 1963 stierf.