Bloemendaal is terug als nieuw

Voorstelling: Hans Dorrestijn & Adèle Bloemendaal samen solo. Gezien: 13/6 in Nieuwe de la Mar-theater, Amsterdam. Aldaar t/m 28/6. Inl. (020) 6264545.

Hans Dorrestijn is al danig op weg naar het eind van zijn optreden, vóór de pauze, als tijdens het refrein van één van zijn huwelijksliederen vanuit de coulissen opeens een tweede stem meeklinkt - een stem als een mild gevooisde klaroen, die zijn jammerklacht des te wanhopiger maakt, en die onmiskenbaar de stem van Adèle Bloemendaal is. Weer een stuk of drie nummers later staat ze ook zichtbaar mee te zingen, tussen de twee muzikanten aan de vleugel, zonder zich op de voorgrond te dringen. Nu is Dorrestijn immers nog de ster van de avond, pas na de pauze is het haar beurt.

Adèle Bloemendaal speelde in 1991 haar laatste theatersolo, en een paar jaar later liet ze weten niet meer op tournee te zullen gaan. Dat ze kortgeleden op dat besluit is teruggekomen, vind ik veelbelovend nieuws: dit najaar gaat ze op reis met haar nieuwe voorstelling Adèle's Comeback Nr. 1. Maar eerst speelt ze, samen met Hans Dorrestijn, een zomers gelegenheidsprogramma - tot het eind van de maand in het Nieuwe de la Mar-theater in Amsterdam en nergens anders.

Samen solo heet het, waarmee het karakter van de avond aardig is samengevat. Wat aanvankelijk een duo-voorstelling van twee geestverwanten zou worden, is tenslotte een programma geworden waarin elk van de twee een eigen optreden verzorgt. Dorrestijn doet dat op de van hem bekende wijze, als de amechtige zanger van de zwartgalligheid en de korzelige voordrachtskunstenaar die zijn verongelijkte verhalen steeds vaker uit het hoofd kan opzeggen. Steeds beter weet hij daarbij zijn onverwachte zinsnedes (“de IJsheiligen zijn mijn favoriete feestdagen, want die worden niet gevierd”) tot hun recht te laten komen. De grappen glippen hem allang niet meer tussen de vingers door.

En daarna komt Adèle Bloemendaal - na zes jaar terug en als nieuw. Ze banjert over het toneel in een korte vakantiebroek, ze zingt en vertelt. Het wonder dat zich nog altijd in haar voltrekt, heeft te maken met de tegenpolen die ze ogenschijnlijk moeiteloos in zich verenigt. Met verve hangt ze de robbedoes uit, die de dames in haar gehoor oproept het er nog maar eens lekker van te nemen (ook, en vooral, qua herenbezoek) en toch blijft ze te allen tijde gedistingeerd. Stout met stijl, zoiets.

Net als Hans Dorrestijn put ook Adèle Bloemendaal uit het rijke reservoir van haar bestaande repertoire. Ze zingt de Dorrestijn-liedjes die ze tot de hare heeft gemaakt (De vleselijke woning en De lelijkheid), ze bewijst opnieuw haar klasse als chansonnière in een paar klassieke teksten van Jan Boerstoel en ze leeft zich uit in conférences uit vorige voorstellingen, die nu nog losser van toon zijn geworden dan ze toen al waren.

Aan het eind van haar optreden, tijdens een feestelijk aangeheven, maar uiterst wrang Amsterdam-lied, verschijnt ook Dorrestijn weer even ten tonele. Als een geslagen hond staat hij naast haar en zingt geluidloos een beetje mee. Nu is zij de ster.