Amerikaanse dichters nemen de tijd

ROTTERDAM, 17 JUNI. Amerikanen hebben wel wat van Russen. In ieder geval hebben hun dichters wel wat van elkaar. Op de tweede voorleesavond van Poetry International lazen drie Amerikaanse dichters voor en zij deden dat zoals Amerikaanse dichters dat doen, min of meer Russisch.

Russen dragen hun poëzie (dat hebben we op Poetry International al vaak kunnen horen) zingzeggend voor, als priesters voor een kerk. Zo ver gaan de Amerikanen niet, maar ze hebben wel de neiging hun woorden op te rekken en hun zinnen allemaal dezelfde melodie mee te geven, onafhankelijk van wat er precies in die zinnen beweerd wordt. Zou elk land zijn eigen typerende poëzie-voordracht hebben? Duitstalige dichters - na de pauze traden een Oostenrijker, een Duitser en een Nederlander op - lezen meer zoals Nederlanders. Dat wil zeggen óf saai en plechtig met een neergaande beweging in elke zin, óf, zoals Robert Anker eveneens na de pauze liet horen, met alle aandacht voor betekenis en klank.

Terug naar de Amerikanen. In zijn voortreffelijke inleiding op dit programma-onderdeel zei poëziecriticus Rob Schouten al dat Amerikaanse poëzie, anders dan veel compacte, precies in elkaar gestoken Nederlandse poëzie, vaak langademig is, alsof de ruimte van het land erin uitgedrukt wordt. Het is poëzie van vergezichten en ruime luchten en eens rustig de tijd nemen. Vooral de twee eerste dichters die gisteravond aan het woord kwamen, gaven daar blijk van. Michael Palmer maakt zijn gedichten zo breed en zo lang dat er nauwelijks meer van gedichten gesproken kan worden, eerder is het eigenaardig gestructureerd proza. Dat kan ook mooi zijn, maar zijn poëzie mist spankracht, klank, interessante woordcombinaties, beelden - als grote glazen al te verdunde limonade waren ze. C.K. Williams, die na hem optrad, is de dichter met de langste regels ter wereld, gok ik. Ook hij, hoewel hij prettig verhalend was, geëngageerd en een plezier om naar te luisteren, weet van poëzie toch niet dat te maken wat je ervan hoopt: een ding van taal dat hart en hoofd weet aan te spreken.

Veel sterker waren de laatste twee dichters die aan het woord kwamen, Charles Simic en Richard Wilbur. De laatste was er niet in levende lijve, omdat hij om een of andere reden op een vliegveld in New Hampshire was blijven steken waar hij wellicht medepassagiers tracteerde op een meeslepende voordracht. Het Poetrypubliek moest het bij ontstentenis doen met zijn vertaler Jan Eijkelboom die liet horen hoe mooi Wilbur ook in het Nederlands kan klinken, bijvoorbeeld over een “voortschuifelende forel, / bijna doorzichtig en gevlekt, / een schaduw op sleep, solider dan hij zelf”. Mooi van klank en een mooi beeld ook, van een schepsel dat meer schaduw dan substantie heeft, wat een eigenaardige vorm van leven is. Charles Simic wist het meest te raken, met zijn gedicht 'reading history'. Daarin schrijft hij hoe soms in de bibliotheek “I'm given a glimpse / of those condemned to death / Centuries ago” en hoe onvoorstelbaar het is dat hij in hun werkelijkheid nog niet bestaat. Toch ziet hij zo iemand voor zich, het bleke gezicht, de handen gebonden, het grijze hoofd tussen de schouders getrokken: “Iemand die / in het weinige dat nog rest van zijn leven / een vaag besef van mij heeft, / en aan mij denkt als aan God, / als de Duivel.”