Voskuils critici idealiseren wetenschap

Hoewel romans als 'fictie' worden aangeduid, munten veel hedendaagse romans uit in nauwkeurige en gedetailleerde beschrijvingen van alledaagse situaties. Het onderscheid tussen de ik-persoon en de auteur verdwijnt en veel personen uit de omgeving van de auteur herkennen zich moeiteloos in zijn personages.

De romancyclus Het bureau van J.J. Voskuil, waarvan inmiddels drie delen zijn verschenen, onderstreept deze ontwikkeling. In NRC Handelsblad van 10 juni plaatste Hans Werdmöller kritische kanttekeningen bij de ethische aspecten daarvan. Voskuil zou het vertrouwen schenden dat collega's in hun dagelijkse contact op de werkvloer van elkaar mogen verwachten. Ook zou hij de reputatie van zijn vroegere vakgebied ondermijnen.

Zijn deze bezwaren terecht?

Literatuur heeft tot taak het menselijke bestaan te tonen zoals het is, en grote literatuur gaat daarbij niet zelden genadeloos te werk. Anders dan de wetenschap, die vooral aandacht heeft voor het algemene en het onpersoonlijke, is literatuur, met name in romans, geïnteresseerd in het detail. Nauwgezette beschrijvingen van situaties die de auteur uit eigen ervaring kent zijn eigen aan het genre.

Toch is elke roman, hoe gedetailleerd en nauwkeurig de beschrijvingen ook zijn, onvermijdelijk het resultaat van stilering en bewerking. Zelfs wanneer Voskuil met recht beweert dat geen enkele scène is verzonnen, blijft de werkelijkheid die hij ons voorspiegelt een constructie. De auteur heeft zijn materiaal, zijn impressies en herinneringen aan een grondige selectie en bewerking onderworpen. Aan deze selectie, deze stilering ontlenen de romans hun literaire karakter. Wat niet aan de beoogde monotonie, de door de auteur beoogde sfeer beantwoordt, verdwijnt of blijft onvermeld. Juist deze (kunstmatige) monotonie fascineert de lezer. Dat betekent ook dat we de personages niet mogen vereenzelvigen met de werkelijke personen die ervoor model stonden.

Nu zou je kunnen aanvoeren dat Voskuil zijn vroegere collega's tegen een mogelijke vereenzelviging had moeten beschermen, door hen verder te anonimiseren. Maar daar kan tegenin gebracht worden dat Voskuil zijn romans dan niet had kunnen schrijven. De eis tot vervorming is in strijd met het door hem gevolgde procédé, met het door hem beoefende genre.

Werdmöllers bezwaar verliest verder aan gewicht wanneer wij ons realiseren dat er maar weinig mensen zijn die Voskuils boeken alleen maar lezen omdat ze zich afspelen binnen de muren van het P.J. Meertens Instituut. In de gedetailleerde en minutieuze beschrijvingen zullen velen eerder iets van hun eigen werksituatie herkennen. De feitelijke locatie, de feitelijke identiteit van de hoofdpersonen doet er niet toe. Juist door ogenschijnlijk unieke situaties zo zorgvuldig te registreren kan een roman algemene aspecten van een tijdsgewricht aan het licht brengen. De literaire tekst sticht op deze manier een eigen wereld en het anekdotische (de verwijzing naar een werkelijk bestaand instituut) wordt ondergeschikt. Wanneer de romans van Voskuil er niet in zouden slagen deze algemene herkenbaarheid en invoelbaarheid op te roepen, zouden ze al na een paar regels vervelen.

Het verwijt dat de cyclus een afrekening zou zijn, dat de auteur zijn schrijftalent in dienst zou stellen van rancune, suggereert dat hij greep zou hebben op het effect dat zijn werk sorteert. In werkelijkheid leidt de cyclus vanaf de eerste pagina een eigen leven, ongeacht de intenties van de auteur, op grond van de eigen wetten van het genre.

Men kan Voskuil ook niet verwijten dat hij zijn wetenschapsgebied in diskrediet brengt door de beoefenaars ervan op ontluisterende wijze neer te zetten. Een dergelijk effect treedt alleen maar op bij lezers die een onrealistisch beeld hebben van de wijze waarop de wetenschap tot stand komt.

Beslissingen over de toekomst van het P.J. Meertens Instituut dienen zich naar de wetenschappelijke prestaties van de betrokkenen te richten en niet naar een literaire registratie van hun gesprekken in de wandelgangen, of van de wijze waarop zij zich door diezelfde wandelgangen voortbewegen.